‘Inspirerende opgefokte jongens’ / Stads Kunst Guerrilla

Het Parool / Kunst & Media (22 december 2010)

Martijn Haas schreef een boek over de Stads Kunst Guerrilla: een groep Amsterdamse provocatiekunstenaars die eind jaren zeventig de stad onveilig maakten met woest anarchistische kunstacties.

 

DANIËL BERTINA

Dertig jaar geleden richtte de Stads Kunst Guerrilla een ravage aan in Paradiso, onder de titel Terroristennacht. De SKG was een groepje jonge provocatiekunstenaars die eind jaren zeventig – de desolate tijd van krakersrellen, Koude Oorlog en atoomdreiging – de stad onveilig maakten met woest anarchistische kunstprojecten in de openbare ruimte. Onder leiding van Erik Hobijn bouwde de SKG de poptempel om tot ‘strafkamp op een puinhoop van afval en destructie,’ compleet met autowrakken, prikkeldraad, wachttorens, bergen rotzooi en kilo’s mest uit Artis. Punkbandjes, seksperformances, experimenteel theater, relschoppers en dichters passeerden de revue. De who’s who van de Amsterdamse kunstwereld deed mee.

Journalist Martijn Haas (1971) schreef een boek over dit bizarre hoofdstuk in de geschiedenis van de stad, en de invloedrijke rol van Hobijn en diens SKG. Stads Kunst Guerrilla; kunst, muziek & terreur 1978-1981 werd uitgebracht door Lebowski Publishers, en is het eerste boek in een serie over de roerige jaren tachtig. Stads Kunst Guerrilla werd maandag officieel gepresenteerd in Paradiso met een lezing en diashow-performance van SKG-grondlegger Erik Hobijn. Dertig jaar na die ene legendarische avond.

“Ik groeide op met de postpunk, en ben gefascineerd door dat tijdperk,” vertelt Haas. “Allemaal invloedrijke Amsterdamse kunstenaars hebben met de SKG te maken gehad, zoals Pieter Giele – een van de oprichters van de RoXY – schilders Peter Klashorst, Rob Scholte en graffitikunstenaar Dr. Rat (Ivar Vics). Toch is er weinig over geschreven. Met dit boek wilde ik die periode vastleggen.”

“De SKG Terroristennacht was een poging van ‘straat’ kunstenaars om te vechten tegen het establishment. Die kunstenaars hadden allemaal wilde ideeën die geen plaats kregen binnen de reguliere kunstacademies. Binnen de kraakbeweging eisten ze de ruimte om hun eigen gang te gaan, volgens de do it yourself mentaliteit. Het was een hele pessimistische tijd, maar de mate van ontregeling die dat kleine groepje opgefokte jonge jongens heeft veroorzaakt is heel inspirerend.”

Vier jaar lang stortte Haas zich op het onderwerp, in navolging van de Britse schrijver Simon Reynolds die een vergelijkbaar stramien hanteerde voor zijn boek Rip it up and start again; post punk 1978-1984 (2005). “Maar Reynolds richtte zich meer op de muziekscene. Na bijna 100 interviews later had ik prachtig materiaal voor wel vier, vijf boeken over al die markante figuren die bij de SKG betrokken zijn geweest. Veel van de huidige kunstinstituten in Amsterdam drijven nog steeds op de pioniersgeest van de jaren tachtig, zoals Mediamatic of Waag Society.”

“Het woord ‘terreur’ had in die tijd een hele andere klank,” zegt Erik Hobijn, die ook is aangeschoven. “Het werd toen meer begrepen in de context van verzet. We noemden ons zelf ook wel kunstpartizanen. Kunst ging er bij ons met de paplepel in. We woonden allemaal in de buurt van het Stedelijk Museum, en kwamen daar wekelijks over de vloer. Als kind liep ik al te klieren bij lezingen van Sandberg.”

“We waren pure nihilisten met een grote antipathie tegen macht en autoriteit – dat ervaar ik overigens nog steeds zo. We wilden met de Terroristennacht zowel de agressiviteit van de punks en de drammerige, dictatoriale overlegcultuur van de krakers bekritiseren. Maar we wilden ook rebelleren tegen die gezapige hippie-idealen. Peace vond ik een nietszeggende kreet, en Love was voor mij ook geen issue.”

“Ik zie veel overeenkomsten tussen die SKG-tijd en nu,” zegt Hobijn. “Maar het heeft geen zin om het verleden te herkauwen. Veel van de SKG-acties zouden vandaag de dag niet meer kunnen plaatsvinden – door het cameratoezicht, het kraakverbod en onze nationale obsessie met veiligheid kan je als activist nog moeilijk anoniem blijven. Dat is beangstigend. Ik zie nog maar weinig rebellie bij de twintigers van nu. Maar ieder tijdperk vraagt om zijn eigen middelen. Er is nu wel veel meer internationaal activisme via het internet.”

“De geschiedenis van de SKG hoort thuis in de Nederlandse kunstcanon,” stelt Haas. Momenteel werkt hij aan zijn tweede boek in de serie over de jaren tachtig: een biografie over Dr. Rat, de grondlegger van de Nederlandse graffiti en street art. “Er is veel geschreven over de kraakbeweging en het hele politieke verhaal eromheen, maar de rol van de kunst is altijd onderbelicht gebleven. Er was veel meer dan alleen Provo.”

www.martijnhaas.nl / www.lebowskipublishers.nl

Martijn Haas: Stads Kunst Guerrilla; kunst, muziek & terreur 1978-1981. Lebowski Publishers – €17,50