Drang om te dichten

Het Parool / PSKunst (27 februari 2013)

 

 

Stadsdichter Menno Wigman vroeg vijf woordkunstenaars met hem op De avond van de stasdsdichter, 9 maart, te vertellen over hun band met Amsterdam. ‘Zoals de meesten heb ik een haat-liefderelatie met de stad’.

DANIËL BERTINA

Menno Wigman (Beverwijk, 1966) is sinds januari 2012 Amsterdams vijfde stadsdichter. Twee jaar lang reflecteert hij in dichtvorm op gebeurtenissen in de stad, in navolging van zijn collega’s F. Starik, Mustafa Stitou, Robert Anker en Adriaan Jaeggi. Wigmans stadsdichterschap zaterdag 9 maart op een nieuwe manier onder de aandacht gebracht, door de De avond van de stadsdichter in de Kleine Komedie. Een nieuw initiatief van Lolies van Grunsven en Daphne de Heer van Stichting Literaire Activiteiten Amsterdam.

Natuurlijk. Wigman knikt. Er zijn al een héleboel poëzieavonden. En die zijn lang niet altijd even geslaagd. Zo trad hij enige tijd geleden op tijdens een poëzieavond in Bergen. Hij grijnst. “Het publiek bestond voornamelijk uit tachtigjarige vrouwen met duifgrijs haar. Dat was nogal een mistroostige ervaring. In de grotere steden komt er gelukkig een jonger, gevarieerder publiek op die evenementen af. Zo’n avond trekt ook altijd een paar leuke, licht gestoorde types. Gelukkig maar.”

Geen mens houdt het vol een avond lang naar één dichter te luisteren, zegt Wigman. “Dus bieden we op de De avond van de stadsdichter veel variatie. Ik word geïnterviewd over mijn werk door Lotje IJzermans, en daarna treden vijf woordkunstenaars op die ik zelf enorm bewonder. De dichters Delphine Lecompte en Neeltje Maria Min, de schrijvers Esther Gerritsen en Thomas Rosenboom, en singer-songwriter Huub van der Lubbe. Ieder presenteert een unieke visie op de stad. Je zult met poëzie nooit de ArenA kunnen vullen – het blijft een kunstvorm waar niet heel de stad warm voor loopt – maar ik hoop dat dit een nieuwe traditie binnen het stadsdichterschap zal worden.”

Al op zijn zestiende wilde Wigman dichter, romanschrijver en vertaler worden. Hij groeide op in Santpoort en trok naar Amsterdam voor zijn studie Nederlands. “Dat ging via een stukje oudste spoorlijn van Nederland, de route Haarlem – Amsterdam.” Hij lacht: ”Dus, dat was een volkomen logische route.”  In 1997 debuteerde hij met de bundel ‘s Zomers stinken alle steden, en in 2002 werd zijn bundel Zwart als kaviaar bekroond met de Jan Campertprijs. In 2012 verscheen zijn meest recente werk Mijn naam is Legioen. Hetzelfde jaar werd Wigman benaderd voor het stadsdichterschap.

Ooit werd hij ook gevraagd zich verkiesbaar te stellen als Dichter des Vaderlands, maar dat was hem iets te gortig. Wigman: “Los van het feit dat die titel een beetje pretentieus klinkt, vond ik mezelf veel te jong, en durfde ik me niet bloot te stellen aan de lawine van kritiek die je dan onvermijdelijk over je heen krijgt. Maar toen ik werd gevraagd voor het stadsdichterschap van Amsterdam, hoefde ik niet lang na te denken. Ik heb, net als de meeste Amsterdammers, echt een haat-liefde relatie met deze stad. Dat levert genoeg inspiratie op.”

Wigman vertelt gretig over het avondprogramma in de Kleine Komedie. “Neeltje Maria Min is één van de weinige, nog levende dichters die gedichten hebben geschreven die zijn opgenomen in het Nederlandse collectieve geheugen, zoals Mijn moeder is mijn naam vergeten (1966). Ze publiceert heel spaarzaam en weigert om bij De wereld draait door aan te schuiven, dus heel wat mensen zijn verbaasd dat ze nog leeft. Maar ze is echt geweldig. Heel nuchter, aards en cool. De Vlaamse Delphine Lecompte is met niemand te vergelijken. Ze lijkt uit de losse pols te schrijven, maar schept prachtige werelden vol zonderlinge figuren met allerlei vreemde afwijkingen. Lecompte heeft een volkomen eigen, excentrieke stijl. Esther Gerritsen presenteert op de De avond van de stadsdichter een hilarisch verhaal over een verward meisje dat twee mannen in de kroeg een pijpbeurt aanbiedt. Gerritsen is een gelauwerd toneelschrijver, en ik bewonder haar vakmanschap als verhalenverteller. Van Thomas Rosenboom heb ik eigenlijk geen idee wat hij precies gaat doen, maar zijn roman Publieke werken (1999) is een van de allermooiste boeken die ooit over Amsterdam zijn geschreven. Het is fascinerend hoe hij naar de stad kijkt, altijd met een bijzondere insteek. Huub van der Lubbe maakt het programma rond. Hij zal met zijn poëtische teksten de stad bezingen.

Als stadsdichter heeft Wigman een stel illustere voorgangers. Vooral F. Starik staat nog steeds hoog in zijn aanzien, en het afgelopen jaar was het lastig om uit zijn schaduw te treden. Wigman: “We zijn natuurlijk twee heel verschillende dichters en persoonlijkheden. Maar ik heb geprobeerd om een eigen draai aan het stadsdichterschap te geven. Bijvoorbeeld door poëzieavonden te organiseren op ongebruikelijke plekken, of met een onverwacht thema. Zoals Poëzie in De Slegte, de winkel waar soms prachtige bundels terechtkomen, of een avond met vergeten dichters die al jaren, soms zelfs decennia niet meer hadden gepubliceerd.”

Nu is Wigman bezig met het project Poëzie in de Bijlmerbajes, dat moet leiden tot een voorleesmiddag op 19 maart. Wigman: “Er wordt enorm veel wordt gedicht in de bajes, en ik heb daar nu al vier workshops gegeven. Het is fascinerend om te ontdekken dat er achter de tralies, naast het Wetboek van Strafrecht, ook ontzettend veel poëzie wordt gelezen. Als je letterlijk en figuurlijk met je rug tegen de muur staat zorgt dat kennelijk voor introspectie en een drang om te dichten.”

Sinds zijn aanstelling als stadsdichter is Wigmans e-mailverkeer vervijfvoudigd. “Ik heb er een dagtaak aan om beleefde mailtjes terug te sturen, want ik schuif niet graag aan bij het vijfjarige jubileum van de buurtbakker, of als er ergens een winkelcentrum wordt geopend. Ik leg de lat erg hoog, schaaf lang, en ik ben geen pleaser. Dus soms voel ik me wel een beetje opgejaagd als mensen willen dat ik onmiddellijk op een onderwerp spring. Maar ik wil niet veertig halfbakken gedichten afleveren. Ik probeer de dingen toch eerder van een afstand bekijken, wil gedichten schrijven die over tien jaar nog net zo goed zijn te lezen. Als me dat lukt, dan ben ik geslaagd als dichter. Ik zoek toch iets van een eeuwigheidwaarde. Anders kan je net zo goed persberichten op rijm zetten.”

Voor zijn nieuwste gedicht, te verschijnen vlak voor 30 april, kruipt Wigman in het hoofd van een lone wolf, een eenzame psychopaat die een aanslag beraamt tijdens de inhuldiging van Willem Alexander. De man wil zijn naam in de krant zien en, voor even, de grootste zoekterm op Google zijn. Wigman: “Alle evenementen in Amsterdam worden alsmaar massaler, en daardoor trekken ze ook steeds meer verwarde mannen aan. Denk maar aan de Damschreeuwer. Ik houd enorm van Amsterdam, maar in deze stad heb je toch altijd het gevoel dat op je hoede moet zijn. Als er iets is wat Amsterdam je leert, is het dat mensen tot alles in staat zijn.”

 

De avond van de stadsdichter, De Kleine Komedie, 9/3, 20:15 uur.