Dansen en zingen met volle mond

Ursula Kaufmann

De Franse choreograaf Boris Charmatz keert terug op het Holland Festival met Manger, misschien wel zijn meest radicale dansvoorstelling tot nu toe. Hoe kan je eten, zingen en dansen – tegelijkertijd?

 DANIËL BERTINA

In ongeveer één uur tijd eten veertien dansers elk een stapeltje blanco eetbaar papier op. Formaat A4. Terwijl ze eten, zingen en bewegen ze. Ze komen bijna niet van hun plek. Toch ontstaat er een fascinerende dansvoorstelling. Dit is Manger, het nieuwste werk van de Franse choreograaf Boris Charmatz (Chambéry, 1973).

Een paar uur voor de Italiaanse première galmt Charmatz’ schaterlach door een statige vergaderzaal van het Bolognese Arena del Sole: “Ja, het is een hardcore voorstelling. Sommige mensen vinden Manger het meest recht voor z’n raapse stuk dat ik ooit heb gemaakt. Anderen zeggen dat dit mijn meest saaie, ingewikkelde, ontoegankelijke en ongemakkelijke stuk ooit is. Zelf weet ik het niet. Het kan me niets schelen. Beide standpunten zijn waar. Ik geef toe, het kost moeite en aandacht om het werk te kunnen waarderen. Maar als je inzoomt op de details, valt er veel te ontdekken.”

In de danswereld staat Charmatz – danser, choreograaf, kunstenaar, curator en artistiek directeur van het Musée de la danse – bekend als een van de meest eigenzinnige hedendaagse choreografen. Veel van zijn voorstellingen draaien rond een simpel idee, dat in radicale vorm wordt uitgewerkt in pure bewegingen, zonder franje. Zo toonde hij in Levée des conflits (2010) een canon van 25 gebaren die als een chaotische maalstroom door 24 dansers werden herhaald. En in enfant (in 2012 te zien op het Holland Festival) liet hij zijn dansers op allerlei manieren de lichamen van 26 kinderen manipuleren – als kwetsbare obstakels. Met Manger staat hij nu voor de derde keer op het Holland Festival.

Je kunt Manger zien als een sculptuur met drie lagen: eten, zingen en bewegen, zegt Charmatz: “Die drie handelingen zijn altijd met elkaar in conflict. Met een volle mond is het heel lastig bewegen, laat staan zingen. Het bijten, scheuren, kauwen, smakken en doorslikken maakt geluid en heeft invloed op de zang. Eten is ook een beweging en heeft weer gevolgen voor de dans. Daarnaast maken de dansers een eigen, constante soundscape met hun stem. Allerlei melodieën komen voorbij. Flarden van liedjes die in je hoofd blijven hangen, leuzen die je op straat hoort, tot het neuriën onder de douche of bij het ontbijt, én een surreële tekst van schrijver Christophe Tarkos. Het is een instabiel ecosysteem.”

Ursula Kaufmann

Het ‘voedsel’ in de voorstelling is blanco eetbaar papier, waar ook katholieke hosties van zijn gemaakt. Zo’n onbeschreven blad is een open symbool dat allerlei interpretaties mogelijk maakt, zegt Charmatz. “Je kunt het zien als het lichaam van Christus, een origami-kikker of een arbeidscontract. Het wordt een metafoor voor álles wat we consumeren. Manger laat zien hoe we onze realiteit verteren.”

“Iedereen eet, maar dat is vaak niet prettig om naar te kijken. Het is intiem, dierlijk en fascinerend. In deze voorstelling nemen we de tijd om dit fenomeen in pure vorm te bestuderen. Het gezamenlijke eten – als familieritueel – verdwijnt ook steeds meer. Mensen proppen zich vol met een snelle hap, op weg van en naar het werk. In Manger mediteren we op iets dat in onze voortsnellende samenleving steeds meer in de haast gebeurt.”

Tegelijkertijd eten, zingen en bewegen is overigens niet zonder gevaar. Het werd Charmatz bijna fataal. “Het grote probleem is dat je écht in dat eetbare papier kunt stikken. Als je grote happen neemt kan dat spul in je keel blijven samenklonteren. Eerder deed ik een korte improvisatie waarbij ik heel snel blad na blad naar binnen propte – als een menselijke papierversnipperaar. Opeens zat m’n strot dicht. Ik kon niet meer ademhalen. Doorslikken, kokhalzen of ophoesten lukte niet. Er zat nog maar een heel klein gaatje waar lucht doorheen kwam. Ik liep paars aan, en moest mijn vingers diep in m’n keel steken om die klont eruit te vissen. Godzijdank kreeg ik het te pakken. De toeschouwers dachten dat het er allemaal bij hoorde. Sommige vonden het aanstellerij. En ik maar denken aan Molière, Tommy Cooper en al die andere performers die ooit op het podium zijn gestorven. Dus ik zeg nu steeds tegen mijn dansers: doe in godsnaam rustig aan met dat papier. Het is maar kunst, het hoeft niet je dood te worden.”

Ursula Kaufmann

“Ik wil er geen karikatuur van maken, maar Manger heeft eigenlijk twee soorten publiek. De eerste groep zegt: ‘Er is niéts te zien op dat podium, ze doen niets, ze dansen niet, ze staan alleen wit papier te eten.’ Ik zou willen zeggen dat die mensen ongelijk hebben, maar ze hebben een punt. En dan heb je het ander soort publiek dat roept: ‘Dit is geweldig! Ik heb zó veel gezien en aan allerlei dingen gedacht – kannibalisme, boulimia, het verslinden van mijn huurcontract, stiekem snoepen, anorexia en de meest persoonlijke, intieme vreetervaringen.’ Maar ik geef toe, al die associaties ontstaan alleen als je de tijd neemt om de kleine handelingen en gebaren te volgen. Aan het eind is alles op, tot aan de kleinste kruimels is al dat papier in hun lichamen verdwenen. Dat is toch een wonderlijk, magisch moment. Eten is de ultieme verdwijntruc.”

“Al van kinds af aan houd ik niet van kunst die teveel naar me toe komt, waarbij alles wordt gedemonstreerd, dik aangezet of uitgelegd. Als er bijvoorbeeld heel erg van me wordt verlangd dat ik om iets lach, voel ik met des te meer geblokkeerd. Daar krijg ik een enorme weerzin van – ook al is het een goede grap. Ik houd van het soort kunst waarbij je moet inzoomen. Dat kan heel mooi met een handeling zoals eten. Dat kan heel spectaculair en grotesk, maar ook zeer intiem, bijna onzichtbaar. Door concentratie wordt je de voorstelling ingezogen. Dat probeer ik ook in mijn werk. Ik zoek naar de juiste architectuur van aandacht.”

Ursula Kaufmann

Charmatz begon zijn carrière als klassiek geschoolde danser. In de loop der jaren kwamen daar allerlei nieuwe vertakkingen bij, van curator en filmmaker tot artistiek directeur. Vaak wordt je pas choreograaf als je helemaal stopt met dansen, zegt Charmatz. “Voor mij is het van groot belang om nog steeds ook als danser te blijven werken, zoals bij choreografen als Anne Teresa de Keersmaeker of Tino Sehgal. Ik wil in dienst blijven bij andere makers. Hun bewegingen sijpelen vervolgens weer door in mijn eigen werk. Dat is typerend voor mijn stijl. Gebaren hebben toch geen eigenaar?

Hij tilt zijn arm op. “Is dit een pose uit klassiek ballet? Is het de president die trouw zweert aan de grondwet? Is het een afscheid? Een verlegen kind dat iets wil vragen? Het is het allemaal, en het is het allemaal ook niet. In mijn werk drijven we altijd tussen al te duidelijke gebaren door. Natuurlijk is in Manger kritiek op onze moderne overconsumptiemaatschappij te ontdekken, maar dat ligt er nooit dik bovenop. Als het té concreet wordt vind ik het niet meer interessant. Alle bewegingen moeten blijven ademen.”

///

Manger door Boris Charmatz, Musée de la Danse. Te zien van 4 t/m 6 juni 2015. Westergasfabriek, Zuiveringshal West. www.hollandfestival.nl

Theatrale alleskunner, danser, choreograaf, kunstenaar en curator Boris Charmatz (Chambéry, 1973) studeerde als klassieke danser aan de prestigieuze École de Danse in Parijs en het Conservatoire National Supérieur de Musique et de Danse in Lyon. In 1992 richt hij met Dimitri Chamblas de dansgroep l’Association Edna op, en debuteert met het duet À bras-le-corps (1993). Sindsdien produceert hij naast dansvoorstellingen in theaters ook improvisatiekunst, installaties, films, conceptuele tentoonstellingen en excursies. Vanaf 2008 zwaait hij als artistiek directeur de scepter bij Musée de la danse, een nationaal centrum voor choreografie. In mei 2015 annexeert hij met zijn dansers 48 uur lang het Britse Tate Modern met een dwarsdoorsnede van zijn werk, aangepast aan de expositieruimtes van dit immense museum. Die trend zet zich door in zijn nieuwste voorstelling Manger. Op het Holland Festival wordt dit stuk gespeeld in een open theaterruimte, zonder tribune.

(Het Parool / Kunst & Media / 2 juni 2015)