Diep in de buik van de IJslandse cello

DANIËL BERTINA
Het is een lastig genre, dat drone, of ambient. Of, hoe noem je de avantgardistische cello-experimenten van de IJslandse Hildur Guðnadóttir (1982). Zeer traag, zeer repetitief, zeer minimalistisch. Abstracte geluidskunst die zwaar leunt op loops, resonaties en zoemende, überstroperige tonen die aanzwellen tot een grote, gelaagde geluidscollage. Allemaal zeer op z’n plaats in het Neerlandse bastion voor Moeilijke Muziek, het Bimhuis. Maar de echte bombastische uitbarsting blijft uit. Helaas.

Guðnadóttir, zichtbaar een beetje nerveus, gaat onder de lichtspot zitten, en introduceert haar twee science-fiction instrumenten, beide gemaakt door de IJslandse vioolbouwer Hans Jóhannsson. Guðnadóttir: “He’s a genius.” Eentje is een soort gedeconstrueerde ‘surround-cello’, schijnbaar niet veel meer dan een houten geraamte met een paar snaren. De cello is verbonden met drie losse versterkende elementen die  op verschillende hoogtes in de zaal hangen, en drie gewone violen en een cello, verspreid opgesteld over het podium, die ook meetrillen met de klanken. Het resultaat is een architectonisch surround-effect, waardoor het klinkt of we als toeschouwers diep in de buik van de cello zitten. Inderdaad, een geniale vondst.

En Guðnadóttir bespeelt de Halldorophone#5 – ook een vreemd ding – dat na elke aanslag uit zichzelf de toon intern blijft rondzingen. Gewapend met een laptop, een schakelpaneel (bediend met de grote teen), haar stem en een mengtafeltje tovert Guðnadóttir drie composities uit haar instrumenten. Een korte prelude, het stuk ‘Leyfdu ljosinu’ en nog een ongenoemd werk (én een heel korte toegift).

Allereerst. Het klinkt geweldig. Elke behoedzame aanslag, of zelfs de kleinste aanraking van de instrumenten is hoorbaar, en er ontstaat een enorme diepte in het geluid. De zaal is muisstil. Zo stil, dat het zware rokerspiepademen van een bezoeker drie rijen verderop irritant wordt en je bang wordt om te gaan verzitten of per ongeluk je glas omver te schoppen.

Maar wàt ze speelt is wel heel, heel, heel erg minimalistisch. Ze drukt een snaar in, er klinkt een toon, die klinkt minutenlang door, en dan nog een toon, twee tonen gaan samen, en dan strijkt ze over een snaar, nog een toon. Alles zoemt rond. Ze schudt met haar instrument, waardoor de toon verandert. En ze slaat er nog een aan. Enzovoorts. Best intrigerend, en natuurlijk is dit genre een kwestie van smaak, maar als optreden is het hemelbestormend saai.

Wat drone, zoals bijvoorbeeld het magistrale werk van Tim Hecker, vaak zo spannend maakt, is dat het vanuit niets wordt opgebouwd tot een immense geluidsmuur die tot het merg van je botten doortrilt. Ondanks het minimalisme grijpt die muziek dankzij de kleine variaties je constant bij de strot.  Dat is niet het geval bij Guðnadóttir.

Op een gegeven moment in ‘Leyfdu ljosinu’ loopt ze haar eigen stem en versmelt de klank met haar voorzichtige cellotonen in een prachtig, gelaagd geluidstapijt. Maar nimmer gaat de beuk erin, en het sterft allemaal weer af. Zo kabbelt Guðnadóttirs optreden voort, en na een uurtje sta ik weer buiten. Zonder huivering.