Eerbetoon aan het doorleven

Het Parool / Kunst & Media (24 maart 2014)

Kunstenaar Sam Drukker portretteerde tien hoogbejaarde joodse mannen die de Tweede Wereldoorlog als volwassenen hebben meegemaakt. Het project Minje is een eerbetoon aan de kracht van het overleven en de joodse traditie.

tekst DANIËL BERTINA foto’s KLAAS FOPMA

Foto Klaas Fopma

Gewapend met lucifers, een potje inkt en een fototoestel kwam kunstenaar Sam Drukker (Goes, 1957) bij tien hoogbejaarde joodse mannen over de vloer. Oude heren tussen de 84 en 103 jaar oud die de Tweede Wereldoorlog als volwassenen hebben meegemaakt én overleefd. Drukker was er soms een uur of twee, vaak langer. Praten over het verleden mocht, maar hoefde niet. Meestal was het stil.

Drukker: “Ik ben geen schrijver, ik ben een kijker. Het ging me niet om het optekenen van hun levensverhalen. Ik wilde me niet richten op het tragische verleden, maar op het dóórleven. Daarbij raakte ik gefascineerd door die ontzettend taaie, sterke mannen en hun levenslust. Dat heb ik proberen te tonen. Ik ging bij ze op de vloer zitten en schetste met een lucifer, gedoopt in inkt, op stroef papier. Heel onhandig materiaal, maar dat dwong me tot volle concentratie en maakte improvisatie mogelijk. Zo zat ik zwijgend en zwetend te werken. Vaak hoorde je alleen het tikken van de klok.”

In zijn atelier werkte Drukker de schetsen en foto’s uit tot tien prachtig verstilde schilderijen: de portretserie Minje. Minimalistisch, in woeste kleuren geschilderd op verschillende achtergronden – van MDF tot jute. Samen met zestien schetsen zijn deze portretten als installatie te zien in het Kunstkabinet van het Joods Historisch Museum. Daarnaast is het werk uitgebracht in boekvorm. De titel van de serie stamt uit het Jiddisch en verwijst naar het minimum aantal joodse mannen, tien, dat nodig is voor de joodse gebedsdienst. De minje staat een symbool voor een gemeenschap, die bij belangrijke levensgebeurtenissen samenkomt en elkaar steunt.

De tentoonstelling werd geopend in het bijzijn van acht van de tien geportretteerden. Wolfgang Kotek (Wuppertal, 1930) gebaart naar zijn leeftijdgenoten in het Kunstkabinet. “Ik voel een sterkte lotsverbondenheid met al deze mannen, want elk van onze afzonderlijke levens is geschikt als een scenario voor een macabere film. Ik heb nog een foto uit 1938 waarop ik met een vriendengroepje bij een synagoge in Wuppertal sta. Dat was vlák voor de Kristallnacht. Van dat groepje hebben slechts drie het overleefd.”

“Er is nog steeds zó veel ellende op de wereld en mensenrechten worden nog overal met de voeten getreden. Daarom is het belangrijk om te herinneren hoe kostbaar het leven is, en dat je iedere seconde zin en inhoud moet geven. Om te beginnen door je eigen leven én dat van de mensen in je directe omgeving steeds een beetje mooier te maken. Dat universele principe, stammend uit de joodse religie, probeer ik overal uit te dragen. Het is Sam gelukt om daar op een schitterende, impressionistische manier uitdrukking aan te geven.”

Drukker studeerde aan de academie Minerva in Groningen en de lerarenopleiding Ubbo Emmius. Hij werkte onder meer in Parijs en Barcelona, doceert aan de Wackers Academie in Amsterdam, en werd in 2011 verkozen tot Kunstenaar van het Jaar. Met zijn werk richt hij zich vaker op zijn joodse roots. Zo portretteerde hij de joodse gemeenschap in Barcelona en maakte schilderijen over thema’s uit het Oude Testament. Drukker: “Maar dat is natuurlijk peanuts in vergelijking met Minje. Met deze portretten heb ik voor het eerst, op een ongedwongen indirecte manier, iets kunnen laten zien over mijn eigen ingewikkelde relatie met de oorlog en de joodse traditie.”

Het idee ontstond drie jaar geleden, toen Drukker in opdracht een portret maakte van een joods baby’tje, Roosje van der Hal, dat ziek was geworden in Westerbork en enige tijd had mogen aansterken in een Gronings ziekenhuis. Drukker: “Daar werd ze liefdevol verzorgd en gefotografeerd door een van de artsen. Toen ze weer gezond was, werd ze teruggestuurd naar Westerbork en gelijk op transport gezet – richting de dood. Even nadat ik het portret had afgeleverd werd ik gebeld door een oude vrouw, die als jonge verpleegster dat kindje had verzorgd. Dat was een ontzettende schok. Toen ik haar stem hoorde vielen de verschillende tijden opeens samen. Ik voelde dat ik iets móest doen met de oude generatie die nu aan het verdwijnen is.”

Minje ontstond spelenderwijs. In samenwerking met het Joods Maatschappelijk Werk ging Drukker op zoek naar geschikte overlevenden om te portretteren. De eerste kandidaten waren mannen en na een paar sessies kwam Drukker op het idee van minje, als overkoepelende vorm en titel. Het Joods Historisch Museum toonde belangstelling voor een expositie, the rest is history.

Bij de opening is Henri Ponneker (Amsterdam, 1927) onder de indruk van zijn portret: “Het is een idioot gevoel om jezelf zo in een schilderij terug te zien. Want je bent het wél, maar ook weer niet. Hoe dan ook, het is schitterend. Voor mij draait dit hele project over het overleven. Ik heb me vaak afgevraagd hoe het kan dat wij als enige volk uit de oudheid, dat over de hele wereld is verspreid, überhaupt nog bestaan. Waar zijn de Etrusken of de Vikingen gebleven? Die zijn verdampt. Onze traditie zit vol gebruiken die op het eerste gezicht niet meer van deze tijd zijn, maar juist door daaraan vast te houden heeft het joodse volk eeuwenlang kunnen overleven. Dat is een paradox. En daar ben ik door dit project weer over gaan nadenken.”

Het portret van Jack Courant (Amsterdam, 1924) lijkt van de muur te knallen door de vuurrode achtergrond en de intense blik – een man die zich niet laat kisten. Op de site van het NIOD staat zijn getuigenverhaal. In 1942 krijgt Courant de oproep om zich te melden voor een werkkamp. Courant ruikt onraad en besluit onder te duiken, vastbesloten om zijn huid duur te verkopen, en weet zelfs nog te ontsnappen uit het hoofdkantoor van de Sicherheitsdienst. Na de oorlog keert zijn moeder levend terug uit de kampen. Zijn vader en broertje blijken te zijn omgekomen.

Courant kent zijn portret al: “Ik ben op het atelier geweest om het werk te bekijken. Ik vind het mooi, maar moest een beetje wennen aan die felrode achtergrond. Tot ik er door kennissen op werd gewezen dat het precies weergeeft hoe ik kijk, als ik ontzettend kwaad ben. Sam heeft kennelijk dat ‘vuur’ in mij gezien en in dit portret verwerkt. Dat is niet verwonderlijk. Dat vuur heb ik nodig gehad om te overleven.”

Drukker heeft Minje opgedragen aan zijn vader. “Mijn grootvader was joods en in de oorlog zijn veel familieleden omgekomen. Mijn vader werkte als arts in een sanatorium, en bleef gespaard omdat hij, strikt genomen, niet joods was. Na de oorlog wilden mijn ouders ons niet belasten met alle nare verhalen. Mijn vader stierf in 1997 en we hebben nooit over zijn oorlogservaringen kunnen spreken. Ik realiseer me dat zijn generatie aan het uitsterven is. Dat geeft dit project extra urgentie.”

Pas toen hij Nathan Rotenstreich (Budzanów, 1916) ontmoette, raakte Drukker aan de kern van zijn project. “Op het eerste gezicht leek het een fragiele man, maar met een ontzettend scherpe, heldere geest. Het duurde even voordat we allebei op ons gemak waren. Op een gegeven moment vroeg hij, waarom ik nu juist hém wilde schilderen. Want hij is niet bekend en ook niet rijk. Hij was als enige van een hele grote familie teruggekeerd uit de oorlog, en heeft zich altijd afgevraagd: waarom ik en zoveel anderen niet? Hij had niemand meer. Maar ondanks alles heeft hij na de oorlog zijn leven weer opgepakt. Dat is ontzettend inspirerend.”

Rothenstreich zelf vindt zijn portret goed geslaagd. Een speelse grijns: “Dit is een mooi project hoor, maar voor mij persoonlijk niet zo bijzonder. Ik woon in Beth Shalom dus ik zit iedere dag al tussen de generatiegenoten.”

Sam Drukker: Minje. Joods Historisch Museum, Nieuwe Amstelstraat 1, t/m 22 juni. Het gelijknamige boek is te bestellen via www.samdrukker.com