‘Sterrenstof en taal’

JHM Magazine / nr. 2, jaargang 22, november 2013 – maart 2014

Het Joods Cultureel Kwartier herbergt vele schatten. Elk met een bijzonder verhaal. In deze rubriek wordt steeds een juweeltje uitgelicht.

DANIËL BERTINA

Continue reading “‘Sterrenstof en taal’”

België even in de ban van India

Het Parool / Kunst & Media (30 oktober 2013)

Het Belgische kunstenfestival Europalia.india biedt een gigantisch programma met honderden evenementen over de Indiase cultuur. Twee exposities in het Brusselse Paleis voor Schone Kunsten vormen de kern. Continue reading “België even in de ban van India”

Wát er gebeurt is onduidelijk, maar het is fascinerend

Het Parool / PS (9 oktober 2013)

BEELDENDE KUNST

ZACHTJES OM HET NIET

Door Miloushka Bokma & Andrea Radai Waar Reuten Galerie, Prinsengracht 510s Te zien t/m 27/10, www.galeries.nl/reuten

Aan de muren is los werk van beide kunstenaars te zien, maar achterin Reuten Galerie staat een donkere monoliet die alle aandacht opslokt: de multimedia-installatie Zachtjes om het niet. Dit massiefhouten drieluik is een samenwerking tussen beeldend kunstenaar Miloushka Bokma (Curaçao, 1971) en schilder Andrea Radai (Boedapest, 1964). Verspreid over vakjes aan de drie wanden komen de videokunst en foto’s van Bokma en de schilderijen van Radai samen. De filmscènes in loops, geënsceneerde foto’s en schilderijen zijn als flarden van herinneringen die op elkaar inhaken. Met als enige houvast de personages die in meerdere werken voorbijkomen. Continue reading “Wát er gebeurt is onduidelijk, maar het is fascinerend”

‘Shéda’, een krankzinnige chaos met een glimpje genialiteit

‘Shéda’, een krankzinnige chaos met een glimpje genialiteit @hollandfestival
DANIËL BERTINA
Als al na het eerste kwartier de helft van de middenrij de zaal uitvlucht, en je kijkt op je horloge, en je denkt, mijn god we moeten nog ruim vijf uur, dan is er iets grondig mis met de voorstelling. ‘Shéda’, van de Congolese theatermaker Dieudonné Niangouna, is een krankzinnige bak chaos van onsamenhangende tirades. Aan één stuk door schreeuwend gedeclameerd door twaalf hyperactieve Afikaanse en Europese acteurs, ieder met een vast personage, die als goden terugkeren naar aan apocalyptische wereld, à la Mad Max, en elkaar met bizarre teksten om de oren slaan. Allemachtig, er is geen touw aan vast te knopen. Maar toch blijft het fascineren. Waarom?

Niangouna maakte eerder grote indruk op het Festival van Avignon met zijn monologen ‘Attitude Clando’ (2007) en ‘Les Ineptides Volantes’ (2009). Dit jaar was hij intensiever bij het festival betrokken als artiste associé, en gedurende deze werkperiode is ‘Shéda’ ontstaan. Vermoedelijk kreeg Niangouna carte blanche om nu eens flink uit te pakken, en zijn tekstuele virtuositeit (Klassiek Frans, poëtisch Frans en de Afrikaanse Lari-taal) los te laten op een grotere productie.

Dat is een beetje verkeerd gegaan. Er zit totaal geen lijn in deze voorstelling. En probeer die ook niet te vinden. Daar is geen eer aan te behalen.

In de Stadsschouwburg staat een bouwwerk van pallets, stellages, stalen pijpen, touwen, een bak water en een afvoerpijp die dienst doet als glijbaan. Alles zit onder het gele stof en wordt af en toe natgeregend door een sprinklerinstallatie. Het doet denken aan een afgeragde, afgegraven en leeggeroofde mijn in het oerwoud van Congo. De twaalf spelers, waaronder Niangouna zelf, en twee muzikanten bewegen zich door de ravage. Ze  debatteren, vechten, dansen, zingen en verliezen zichzelf in idiote tirades, cirkelredeneringen, absurdistische monologen, dadaïstische onzinpoëzie, verbasterde verhalen met verwijzingen naar Oedipus Rex en schuimbekkende pleidooien. Waar het over gaat is vaak volstrekt onduidelijk.

Dit gaat zo 5,5 uur door. Met pauze (waarbij de bar geopend is!)

Maar toch bleef ik zitten. Want af en toe duikt er in deze enorme bak chaos een pareltje op. Korte monologen, hier en daar verstopt tussen heel veel irritant gedoe, die ontzettend grappig, scherp, en op een prettige manier ontregelend is. Wellicht niet toevallig zijn dit vaak nét de monologen die Niangouna zelf houdt. Zoals zijn transseksuele, homohoer-variatie op de plot van Oedipus Rex, of een hysterisch betoog dat Afrika – en eigenlijk de hele wereld –  lijdt aan slechts twee ziektes: onderontwikkeling en de elektrische stoel. Deze redenering hier uitleggen is onbegonnen werk. Ik deed een poging en raakte volledig de draad kwijt.

Of een andere repetitieve passage, ditmaal niet gespeeld door Niangouna, maar door een jokerachtig personage in een priesterpak: dat eigenlijk alles, maar dan ook àlles, Afrikaans is. Op een serene toon declameert hij een lijst gebruiksvoorwerpen, etenswaren, ideeën en allerlei andere dingen. Terwijl de rest van de spelers hoog vanaf de stellage zich één voor een zich lijken te verslikken, en gifgroene soep over de speelvloer braken.

De muziek van Pierre Lambla en Armel Malonga – elektrische bas, percussie, samples – biedt overigens prettig houvast in deze verder totaal ontregelde voorstelling.

Tegen het einde, na de zoveelste vecht- en neukpartij, achtervolging door de zaal, sjamanistische regendans en raaskaldialoog stapt Niangouna in de schijnwerper, in het midden van de speelvloer en steekt nog één keer van wal met een stuk poëzie. Terwijl zijn medespelers proberen nietszeggende t-shirts aan te trekken – wat mislukt. Een mooi beeld; de uniformiteit past hen niet.

Maar waarom moet dit in godsnaam 5,5 uur duren?

Diep in de buik van de IJslandse cello

DANIËL BERTINA
Het is een lastig genre, dat drone, of ambient. Of, hoe noem je de avantgardistische cello-experimenten van de IJslandse Hildur Guðnadóttir (1982). Zeer traag, zeer repetitief, zeer minimalistisch. Abstracte geluidskunst die zwaar leunt op loops, resonaties en zoemende, überstroperige tonen die aanzwellen tot een grote, gelaagde geluidscollage. Allemaal zeer op z’n plaats in het Neerlandse bastion voor Moeilijke Muziek, het Bimhuis. Maar de echte bombastische uitbarsting blijft uit. Helaas.

Guðnadóttir, zichtbaar een beetje nerveus, gaat onder de lichtspot zitten, en introduceert haar twee science-fiction instrumenten, beide gemaakt door de IJslandse vioolbouwer Hans Jóhannsson. Guðnadóttir: “He’s a genius.” Eentje is een soort gedeconstrueerde ‘surround-cello’, schijnbaar niet veel meer dan een houten geraamte met een paar snaren. De cello is verbonden met drie losse versterkende elementen die  op verschillende hoogtes in de zaal hangen, en drie gewone violen en een cello, verspreid opgesteld over het podium, die ook meetrillen met de klanken. Het resultaat is een architectonisch surround-effect, waardoor het klinkt of we als toeschouwers diep in de buik van de cello zitten. Inderdaad, een geniale vondst.

En Guðnadóttir bespeelt de Halldorophone#5 – ook een vreemd ding – dat na elke aanslag uit zichzelf de toon intern blijft rondzingen. Gewapend met een laptop, een schakelpaneel (bediend met de grote teen), haar stem en een mengtafeltje tovert Guðnadóttir drie composities uit haar instrumenten. Een korte prelude, het stuk ‘Leyfdu ljosinu’ en nog een ongenoemd werk (én een heel korte toegift).

Allereerst. Het klinkt geweldig. Elke behoedzame aanslag, of zelfs de kleinste aanraking van de instrumenten is hoorbaar, en er ontstaat een enorme diepte in het geluid. De zaal is muisstil. Zo stil, dat het zware rokerspiepademen van een bezoeker drie rijen verderop irritant wordt en je bang wordt om te gaan verzitten of per ongeluk je glas omver te schoppen.

Maar wàt ze speelt is wel heel, heel, heel erg minimalistisch. Ze drukt een snaar in, er klinkt een toon, die klinkt minutenlang door, en dan nog een toon, twee tonen gaan samen, en dan strijkt ze over een snaar, nog een toon. Alles zoemt rond. Ze schudt met haar instrument, waardoor de toon verandert. En ze slaat er nog een aan. Enzovoorts. Best intrigerend, en natuurlijk is dit genre een kwestie van smaak, maar als optreden is het hemelbestormend saai.

Wat drone, zoals bijvoorbeeld het magistrale werk van Tim Hecker, vaak zo spannend maakt, is dat het vanuit niets wordt opgebouwd tot een immense geluidsmuur die tot het merg van je botten doortrilt. Ondanks het minimalisme grijpt die muziek dankzij de kleine variaties je constant bij de strot.  Dat is niet het geval bij Guðnadóttir.

Op een gegeven moment in ‘Leyfdu ljosinu’ loopt ze haar eigen stem en versmelt de klank met haar voorzichtige cellotonen in een prachtig, gelaagd geluidstapijt. Maar nimmer gaat de beuk erin, en het sterft allemaal weer af. Zo kabbelt Guðnadóttirs optreden voort, en na een uurtje sta ik weer buiten. Zonder huivering.

‘Cineastas’ husselt theater, film en het alledaagse leven door elkaar

DANIËL BERTINA

In ‘Cineastas’ toont de Argentijnse regisseur Mariano Pensotti (1972) een gelaagd verhaal over vier cineasten uit Buenos Aires, die ieder worstelen met hun nieuwe films. Het is deels een portret van de stad, door de ogen van vier Argentijnse filmmakers, zegt Pensotti. “Maar het is vooral – vergeef me die vréselijke uitdrukking – een universeel verhaal, over de constante wisselwerking tussen tijdloze fictie en het vluchtige, alledaagse leven. Hoe de fantasie vorm geeft aan de realiteit, en omgekeerd.”

Pensotti vervlecht vier losse verhalen tot een theatrale collage. Undergroundfilmer Lucas werkt bij McDonalds – “Ik ga hier dood tussen de frieten en de hamburgers” –, en fantaseert over een hyperagressieve kidnapfilm, waarmee hij voor eens en voor altijd het verwerpelijke grootkapitaal, belichaamd in de vorm van de gehate clown Ronald McDonald, van het voetstuk zal trappen. Prijswinnaar Gabriël hoort dat hij terminaal ziek is. Hij verzwijgt zijn aandoening maar schrijft zijn ziekte zijn film in, terwijl de populaire Mexicaanse hoofdrolspeler het aanlegt met Gabriëls vrouw. Documentairemaker Mariela stort zich na het stranden van haar liefdeloze huwelijk op de revolutionaire, hyperoptimistische musicals uit de uiteenvallende Sovjet-Unie. En filmmaker Nadia, totaal overrompeld door het onverwachte succes van haar eerdere werk en middenin een crisis, gaat in haar film op zoek naar haar vader – ooit ‘verdwenen’ tijdens het Vidéla-regime.

In ‘Cineastas’ gaan deze vier films een eigen leven leiden, en sleuren hun makers mee. Realiteit en film lopen in elkaar over, totdat zowel de films als de makers fundamenteel veranderd zijn. Dat zorgt twee uur lang voor heel knap theater, maar het is wel opletten geblazen.

De vijf acteurs bewegen zich door een huizenhoog kijkdoosdecor met twee verdiepingen, gemaakt door Mariana Tirantte. Op de benedenverdieping zien we de dagelijkse sleur van de personages, en hoe ze met zichzelf en anderen in de knoop liggen. Boven worden de (gefantaseerde) scènes uit hun films gespeeld. Als een horizontale split-screen.

Cineastas2- Foto Jorge Macchi

Iedere acteur (op ééntje na, die uitsluitend met de rekwisieten sjouwt) is verantwoordelijk voor meerdere rollen, of doet een verhalende voiceover via een draadloze microfoon terwijl de actie op beide verdiepingen gewoon doordendert. Net als de boventiteling voor de niet-Spaanstalige toeschouwers. Het enige handvatten zijn het sympathieke, losse spel (vooral Marcelo Subiotto is met prachtig gedoseerde mimiek briljant in al zijn rollen) en de bij vlagen hilarische tekst – die ook in de Nederlandse vertaling erg sterk is.

Pensotti: “Al die personages zitten diep in een existentiële crisis, maar ik heb ter contrast bewust gezocht naar een lichte, speelse stijl van acteren. Vrij onnadrukkelijk, en organisch. Ik denk dat dat te maken heeft met mijn achtergrond, want ik heb een filmopleiding gehad. Dan neig je in de regie toch wat meer naar kleiner, meer naturalistisch spel.”

YouTube Preview Image

Om de filmscènes ook echt te filmen, en tijdens de voorstelling op de bovenwand te projecteren lag teveel voor de hand, zegt Pensotti. “Ik wilde nadrukkelijk géén video gebruiken in dit stuk. Dat vind ik een zwaktebod. Ik wilde juist alles op het toneel vluchtig houden, omdat het een voorstelling is over film; een medium dat de tijd vastlegt. Dat contrast is heel belangrijk.”

‘Cineastas’ is het meest complexe dat ik ooit voor theater heb gemaakt. Niet alleen was het een flinke opgave om in mijn originele tekst – eigenlijk geschreven als een novelle – de theatraliteit te zoeken. Het was hartverscheurend om in die tekst te moeten snijden. Maar ook het repetitieproces van zeven maanden was heftig. Pas bij de première had ik echt het gevoel dat alles op z’n plaats viel. Nu is het een kwestie van finetunen.”

En ja, Pensotti en consorten hebben de recente dood van ex-dictator Jorge Vidéla nog even gevierd. “In de kleedkamer hebben we met z’n allen een goed glas whisky gedronken. Ik ben geboren onder de dictatuur, en deze heeft diepe groeven in ons land achtergelaten. Maar op mijn tiende was het voorbij. Ik ben nu veertig. Dus ja, de gevolgen van die inktzwarte periode werken nog steeds door, maar het is niet meer zo allesverstikkend aanwezig, zowel in de kunsten als in de Argentijnse samenleving. We moeten toch door.”

Goed om te weten
‘Cineastas’ ging 16 mei in première op Kunstenfestivaldesarts in Brussel en is 7 en 8 juni te zien tijdens Holland Festival Inlichtingen: Holland Festival

Met de stierenadem in je nek door Pamplona

Het Parool / Kunst & Media (29 mei 2013)

Olivier van der Zee maakte Encierro, een spectaculaire 3D-documentaire over het Spaanse stierenrennen. ‘Voor een dag ben je een halfgod’.

DANIËL BERTINA

Elk jaar rent een horde mannen door de straten van Pamplona. Opgejaagd door een kudde levensgevaarlijke vechtstieren, elk zo’n 600 kilo puur spier, generaties lang gefokt op agressie en kracht. Tijdens de San Femínfeesten in Spaans Baskenland raast er zo acht dagen lang, iedere dag, in drie minuten tijd een chaotische mensen- en stierenstroom door de nauwe straatjes van de stad, en laat daarbij een spoor van verwoesting, zweet en botbreuken achter. De stieren eindigen in de arena voor hun gevechten met de toreadors. De mannen stuiteren na. Tjokvol adrenaline.

Wát een stelletje gekken, dacht filmmaker Olivier van der Zee (Amsterdam, 1969) toen hij jaren geleden voor het eerst deze eeuwenoude encierrotraditie in beeld zag. “Je ziet de meest afgrijselijke valpartijen, en elk jaar worden er mensen vertrapt of doorboord. Het is een godswonder dat er in de laatste honderd jaar slechts vijftien doden zijn gevallen. Maar het intrigeerde me enorm.”

In zijn documentaire Encierro duikt Van der Zee in de belevingswereld van deze waaghalzen. Zes mannen vertellen over hun beweegredenen om zich elk jaar wéér in de stierenchaos te storten. Soms met catastrofale gevolgen. Deze intieme interviews worden afgewisseld met spectaculaire actiescènes, verrassend in beeld gebracht dankzij de 3D-filmtechiek. Encierro ging vorige maand in première op het filmfestival van Malaga.

YouTube Preview Image

Van der Zee studeerde aan de Filmacademie in Amsterdam en het American Film Institute in Los Angeles. Sinds 2003 woont en werkt hij in Baskenland. Twee jaar geleden vroeg een Spaanse filmproducent of hij ze kon helpen bij het afnemen van interviews voor een reportage over het stierenrennen, die ze aan de Amerikaanse televisie wilden verkopen.

Van der Zee: “Die interviews moesten in het Engels, vandaar dat ze mij vroegen. Ik sprak toen met Joe Distler. Een markante New Yorker die, geïnspireerd door de boeken van zijn landgenoot Ernest Hemingway, al sinds 1967 elk jaar meedoet aan die race. Hij kon práchtig vertellen. Achter dat idiote rennen bleek een hele wereld van rituelen en kameraadschap te zitten. Maar ook, vreemd genoeg, een enorm respect en liefde voor die beesten. Dus dat fenomeen was een aparte documentaire waard.”

Als Amsterdammer in de Spaanse filmwereld heb je meer de blik van de buitenstaander, zegt Van der Zee. “Ik heb me zo meer kunnen richten op het ‘waarom’ van die traditie. De hang naar adrenaline is maar een klein deel van het verhaal. Het krijgt bijna religieuze dimensies, met vaste rituelen. Lukt het je om als renner – als is het maar één ogenblik – met de stier gelijk op te gaan en vlakbij te komen, met de stierenadem in je nek, één met de groep? Dan ben je voor een dag een halfgod. Al die mannen lijken met het rennen hun eigen demonen te willen bezweren. Wat die ook mogen zijn. Dat wilde ik in beeld brengen.”

De extreme stress voorafgaand aan het evenement wordt beklemmend getoond, en de extatische renpartijen in Encierro werden vastgelegd met geavanceerde 3D-camera’s. Van der Zee: “Als er één medium bij uitstek geschikt is om deze gebeurtenis spannend in beeld te brengen, dan is het de 3D-film. Want als kijker zit je middenin de chaos. Maar ook als cameraman was het eng. Bij het filmen zat ik hoog op een hek. Ik dacht dat ik veilig was. Totdat de eerste stier een arme Japanner, vlak voor me, in de kraag greep en meters meesleurde. Dat beest zoefde vlak voor m’n lens langs.”

In Portugal is het verboden om de stier in het stierengevecht te doden, en ook in Spanje gaan er steeds meer stemmen op om de traditie aan banden te leggen. Maar het rennen met de stieren zal altijd blijven bestaan, denkt Van der Zee. “De encierro bestaat al, op z’n minst, sinds 1385 en is diepgeworteld, geliefd en tijdloos. Wereldwijd kijken er 60 tot 80 miljoen mensen naar. Dat gaat echt niet zomaar verloren.”

Na het Spaanse succes probeert Van der Zee zijn documentaire nu ook in Nederland vertoond te krijgen. Hij lacht: “Ik kan me zo voorstellen dat de Partij voor de Dieren daar niet op zit te wachten.”

www.encierrolapelicula.com

Een maand lang 7 mei 1945

Het Parool / Kunst & Media (4 mei 2013)

Met kunstproject 07:05:1945 reconstrueert Ronald van Tienhoven de tragische schietpartij op de Dam, twee dagen na de bevrijding, waarbij tientallen mensen om het leven kwamen.

DANIËL BERTINA

“In totale paniek probeer je alles om het vege lijf te redden, dat is van alle tijden,” zegt kunstenaar Ronald van Tienhoven (Den Haag, 1956). Hij wijst naar een zwart-witfoto, waarop negen mensen proberen te schuilen achter een lantaarnpaal op de Dam – hurkend, liggend en samengepropt. Een klein meisje staat alleen en onbeschut middenin de kogelregen.

De foto is genomen op 7 mei 1945, toen 10.000 Nederlanders naar de Dam waren gekomen om de Duitse capitulatie te vieren. Maar toen begon de ellende, zegt Van Tienhoven. “Leden van de Binnenlandse Strijdkrachten probeerden op de hoek van de Nieuwezijds Voorburgwal en de Paleisstraat een paar Duitsers te ontwapenen. Eentje weigerde, want alleen de Canadezen hadden die bevoegdheid. Toen werd hij neergeschoten. Een groep Duitse militairen van de Kriegsmarine zag dit alles gebeuren vanuit de Groote Club op de Dam. Ze hadden het gevoel dat ze van alle kanten werden bedreigd, mogelijk is er ook door een BS’er op de Groote Club geschoten. Ze openden het vuur. In de chaotische schietpartij stierven tientallen mensen en vielen honderden gewonden.”

Van Tienhoven raakte gefascineerd door deze dramatische gebeurtenis en de grote hoeveelheid beschikbare foto’s – onder andere gemaakt door Cas Oorthuys, Wiel van der Randen en Willem Leijns, en de vele onbeantwoorde vragen over het incident. In het kunstproject 07:05:1945 toont hij een reconstructie van de historische schietpartij. Door middel van drie zorgvuldig nagemaakte objecten en een enscenering van één van de iconische foto’s. 07:05:1945 wordt 7 mei geopend op de Dam, en is daar een maand lang te bekijken.

Foto’s zoals die van Leijns zijn nét schilderijen van Jeroen Bosch, zegt Van Tienhoven. “Het zijn hele gelaagde beelden, die een soort tijdloze monumenten zijn geworden. Wat ik aangrijpend vind is de manier waarop die mensen in hun doodsangst een innige relatie kregen met alledaagse objecten in de openbare ruimte. Een simpel draaiorgel, een lantaarnpaal of een kiosk werden opeens beschermende schilden.”

Sinds 1993 maakt Van Tienhoven kunst in de openbare ruimte en werkt vaker op basis van de reconstructie van historische gebeurtenissen. “Het naspelen van geschiedenis is riskant, omdat de kitscherigheid altijd op de loer ligt. Dus ik probeer het zo minimalistisch mogelijk te houden.”

Uit het beeldmateriaal selecteerde hij drie sprekende objecten: twee kiosken en het draaiorgel. Deze werden tot in detail nagemaakt. Van Tienhoven: “Eén kiosk is wit en bevat informatie en beeldmateriaal over de schietpartij. De andere kiosk is zwart als een monoliet, en toont 3D-computersimulaties van de moordwapens. Daarnaast is er het nagebouwde, levensreddende draaiorgel met een enorm ballistisch kogelgat.”

In de witte kiosk zijn foto’s te zien van de ramp, minutieus nagemaakt door Van Tienhoven in zijn studio. Als kunstmatige versies van de echte gebeurtenis. Van Tienhoven: “Zo ontstaat een soort hyperrealiteit die het hier en nu overstijgt. Een maand lang schuif ik 7 mei 1945 de hedendaagse Dam op en vloeien de verschillende tijden samen.”

“Ik hoop dat de toeschouwers hierdoor even op een nieuwe manier naar hun eigen omgeving en de geschiedenis zullen kijken. Daarnaast wil ik een ruimte bieden om over die ramp te praten. Die schietpartij heeft diep doorgewerkt in het leven van talloze Amsterdammers. Het is een levensgroot trauma voor veel mensen.”

Vorig jaar fietste Van Tienhoven op 7 mei over de Dam, enigszins gefrustreerd omdat 07:05:1945 vertraging had opgelopen, en zag daar een vrouw staan met 2 vergeelde foto’s. Het bleek een nabestaande te zijn die aandacht vroeg voor het bloedbad. Haar vader was op de Dam gestorven, maar had daarbij haar broer kunnen redden. “Dat was echt een miniatuur van waar ik mee bezig was,” zegt Van Tienhoven. “Ik vermoed dat dit project straks een stroom verhalen zal losmaken.”

Zelf heeft hij geen nieuwe feiten over het bloedbad boven tafel gekregen. “Johan Wieland en Arthur Rebattu werken met een groep historici en genealogen momenteel als grassroots onderzoeksjournalisten aan een nieuw onderzoek over de schietpartij en het exacte aantal doden – dat is nog steeds onduidelijk. Ik heb me mede door hen laten adviseren, want ik ben geen historicus. Ik schilder liever met de geschiedenis.”

Ronald van Tienhoven, 07:05:1945. Opening 7/5 om 15:00 uur op de Dam. Daar te zien tot 9/6.

‘Ik ben een trendsetter’

Het Parool / Kunst & Media (23 april 2013)

Na bijna 20 jaar houdt galeriehouder Rob Malasch het voor gezien. Hij gooit het overschot aan opgeslagen kunst in de verkoop, dan is het basta.

DANIËL BERTINA

Lachend neemt Rob Malasch (Bandung, 1947) een hap zeewier. Lekker, gezond, en caloriearm, zegt Malasch. “En ideaal om mee af te slanken. Dat past wel in de lijn met wat ik nu met mijn galerie ga doen. Ja, de crisis hakt erin. Geloof mij, er gaan binnenkort héél veel Amsterdamse galeries omvallen. Ik ben een trendsetter.”

Vanaf zaterdag gooit Malasch tien dagen lang het overschot van zijn opgeslagen kunst in de verkoop. Het is zijn finale expositie in Meneer Malasch aan de Postjesweg, Loving the Alien, met foto’s, sculpturen en schilderijen. Malasch: “Zaterdag was de vipopening, maar gewone mensen mogen ook komen.”

Verder staan er drie immense boekenkasten volgepropt met (kunst)boeken uit het Malascharchief. Liefhebbers mogen de boeken meenemen voor de helft van de prijs, nadat er op Google is gecontroleerd wat ze waard zijn. Na die tien dagen is het basta. Malasch stopt als galeriehouder. En dan op zoek naar iets nieuws.

De directe aanleiding is een ‘conflictje’ met de verhuurder van het pand, de organisatie Meneer de Wit. Malasch: “Dit is een broedplaats, wat inhoudt dat kunstenaars hier de buurt wat mogen komen opleuken. Men vond het nodig om mijn huur, elk jaar, met duizend euro op te schroeven. Tja, zo komt de bodem van de schatkist snel in zicht.”

Malasch begon op de Rietveld Academie, maakte de stap naar experimenteel theatermaker en choreograaf, profileerde zich als venijnig columnist, en werkte jaren in New York, onder andere als kunstcorrespondent voor deze krant. In 1993 reisde hij mee naar China in de entourage van kunstduo Gilbert & George en ontdekte daar bij toeval een aantal jonge Chinese up & coming kunstenaars. Voor een grijpstuiver nam hij een paar schilderijen mee, die hij zeer goed wist te verkopen. Met het geld kocht een pand aan de Lauriergracht en opende zijn galerie Serieuze Zaken Studioos. In 2011 verkaste hij onder de naam Meneer Malasch naar de broedplaats aan de Postjesweg. Met bovenstaande gevolgen.

Hij legt een boekje op tafel: “Van deze Zhang Xiaogang heb ik ooit voor een paar honderd dollar wat schilderijen meegenomen. Nu wordt zijn werk geveild voor tien miljoen per stuk.”

Arm is hij er niet van geworden, maar het is toch even slikken. Malasch: “Als ik dát geweten had, dan had ik die dingen nooit verkocht. Ziehier het risico van het vak. Ik heb er in ieder geval allemaal mensen gelukkig mee gemaakt. Wat is daar op tegen? Helaas veranderden sommige van die timide Chinese jochies in woest-commerciële monsters met geen enkele loyaliteit. Dus op een gegeven moment kreeg ik dat werk hier gewoon niet meer verkocht, omdat ze opeens echt idiote bedragen vroegen. Man, ik háát dat eeuwige gekloot om geld.”

Als organisator gaat hij in ieder geval door met de vijfde editie van het culturele evenement Indomania, op 11 mei in het Sierraad aan de Postjesweg. “Dat gaat over mijn Indonesische roots, dus dat is me dierbaar. Daarnaast wil ik me nu ook wat meer opwerpen als free agent voor een aantal onbekende, maar geniale kunstenaars, zoals Marenka Gabeler, Ronald Berning, Choi Jeong Hwa, Pieter de Kok en Joost Benthem. Ze maken prachtig werk dat meer aandacht verdient. Zo maakt Choi hilarische sculpturen die tijdens Loving the Alien vollop te koop zijn: dildo’s in de vorm van die basketballer, Magic Johnson. Ik heb er een doos vol van.”

Het exorbitante kunstkoopgedrag tijdens de internetboom van begin deze eeuw staat hem nog fris voor de geest. Malasch: “Dan kwam er zo’n twintiger binnen die nét tien miljoen had verdiend met een of ander achterlijk videospelletje. En dan werd er rondgewezen en geroepen: pakt u dat allemaal maar in hoor, de prijs was niet relevant.” Een sarcastische grijns: “Easy come, easy go. Ja, die tijd is voorbij.”

De galerieformule is tot op het bot versleten, aldus Malasch: “Iedere boerenlul kan een galerie beginnen om de keramische sculpturen van z’n trotse vrouw in de etalage te kunnen zetten. Daarnaast is Amsterdam een achterlijk provinciaal dorp met te weinig kapitaal en te weinig smaak. En verder is het met de kunst ook slecht gesteld, 99% van wat ik zie is bagger. Daarom is Amsterdam een véél te kleine markt voor serieuze verzamelaars. Ik was net in Londen voor de David Bowie-expositie. Nou, dan ben je de Hazenstraat snel vergeten.”

De kunstwereld neemt zichzelf veel te serieus, zegt Malasch. “Iedereen is bang om op z’n bek te gaan. Maar mislukken is juist interessant. Ik zie mezelf als Heintje Davids van de avantgarde. Ik dwing mezelf om steeds weer from stratch te beginnen, want dat geeft energie. Na deze expo en Indomania 5 ga ik even naar Indonesië om inspiratie op te doen. Misschien begin ik daarna wel een nieuw soort toko.”

Tentoonstelling Loving the Alien, Meneer Malasch, Postjesweg 2. Opening 20/4, 15:00-19:00 uur. Te zien t/m 30/4.