Zomertrilogie / Veel solo’s, weinig muziek

Corpus Kunstkritiek 2009-2010 / www.domeinvoorkunstkritiek.nl


Voorstelling: Zomertrilogie door Toneelgroep Amsterdam
Gezien: 3 februari 2010, Stadsschouwburg Amsterdam
Door: Daniël Bertina


Regisseur Ivo van Hove trok drie kluchten van de Italiaanse toneelschrijver Carlo Goldoni uit de kast voor het (bijna) voltallige ensemble van Toneelgroep Amsterdam. Een doodsaaie talentverspilling.

Op de kale, houten speelvloer van de Rabozaal in de Stadsschouwburg staan zes massieve houten deuren. En tientallen stoelen. Deels gestapeld, deels in schijnbare chaos verspreid. Op het achter- en zijdoek is een salonachtig behangmotiefje te ontdekken. Elke deur staat los in de ruimte, maar is wel met zes bouten muurvast aan de vloer verankerd. De deuren zijn blijkbaar zo zwaar dat ze bij een scènewisseling door twee toneelknechten per deur met elektrische schroevendraaiers moeten worden losgeschroefd, om vervolgens met een takelinstallatie te worden verplaatst. Dit zijn deuren die met volle kracht kunnen worden dichtgesmeten. En dat gebeurt vaak, met overgave.

Dan het verhaal. In het Italiaanse stadje Livorno heerst ook onder de gegoede burgerij de nodige armoede, veroorzaakt door overmatig gokken, feesten en vreet- en zuipdrift. Een berooide edelman Leonardo (Fedja van Huêt), zijn wanhopige – want alleenstaande – zuster Vittoria (Marieke Heebink) en hun uitgekookte knecht Paolo (Chico Kenzari) gaan tóch op zomertripje naar hun buitenverblijf, ondanks de dreiging van de schuldeisers en het naderende faillissement. De buren gaan mee: de zeer welgestelde maar ruggengraatloze weduwnaar Filippo (Hugo Koolschijn), zijn dominante en manipulatieve secreet van een dochter en verloofde van Leonardo, Giacinta (Karina Smulders) en hun sluwe dienstmeisje Brigida (Janni Goslinga).

Om hen heen cirkelen een stel uitvreters en bemoeials, waaronder Ferdinando (afwisselend per voorstelling Roeland Fernhout of Hans Kesting), die uit is op het geld van de steenrijke weduwe, tante van Giacinta en grande dame Sabina (Kitty Courbois), haaibaai en winkeliervrouw Costanza (afwisselend per voorstelling Camilla Siegertsz of Reneé Fokker), haar hitsige bakvis van een dochter – en verloofde van de evenzo geile dokterszoon Tognino (Eelco Smits) – Rosina (Charlie Chan Dagelet) en de wijze raadgever Fulgenzio (Fred Goessens). De personages zoeken weliswaar de Liefde, maar vooral de Financiële Zekerheid van een kapitaalkrachtige partner, voor zichzelf of voor hun kroost. De woest aantrekkelijke Guglielmo (Barry Atsma) – want alleenstaand, rijk en vooral gentleman – zorgt voor gedonder. Hij zet de verloving tussen de jaloerse Leonardo en hartstochtelijke Giacinta op scherp.

Twee gedachten
Alle ingrediënten voor een geestige klucht zijn aanwezig. Maar wat begint als klucht krijgt vlak voor het einde plotseling de nasmaak van een tragedie. De vrije, jonge vrouw Giacinta – “Ik krijg altijd alles voor mekaar” – rebelleert en trapt woest om zich heen tijdens de vakantie, wordt verliefd op een ander, maar schikt zich bij thuiskomst uiteindelijk in de partnerkeuze van vaderlief. Deze omslag wordt niet verklaard. Ook haar minnaar conformeert zich aan de heersende mores. Vóór het trouwen worden wel even de contracten getekend. Stabiliteit en het in stand houden van een respectabel imago voor de buitenwacht winnen van de liefde. De personages – en voornamelijk de rebellerende vrouwen – schikken zich gelaten in hun liefdeloze lot. Een volstrekt humorloos en misplaatst tragisch einde van drie uur kolder.

Zomertrilogie hinkt zo ongemakkelijk op twee gedachten. Is het een avondje vertier of kritiek op de menselijke fetisj met status en geld, sinds de achttiende eeuw blijkbaar nog steeds springlevend? Als je het programmaboekje moet geloven wel. Maar dat is niet het grootse bezwaar. Deze Zomertrilogie, naar het werk van de Italiaanse toneelschrijver en theatervernieuwer Carlo Goldoni (1707-1793), wordt gespeeld door een stel van de beste acteurs van het land. Toch is dit een doodsaaie voorstelling die in bijna twee uur richting pauze kruipt en daarna nog een dik uur hemeltergend langzaam doorslentert. Waar ligt dat aan?

Ter aarde storten
Opvallend aan Zomertrilogie is het ensemblespel, of juist het gebrek daaraan. De acteurs soleren. Vooral Karina Smulders krijgt alle ruimte om als een soort dreinende kleuter een scala aan emoties te tonen. Zeurend, stampvoetend, krijsend en neurotisch flirtend, windt Giacinta de anderen om haar vinger, of laat zich in radeloze wanhoop als zoutzak plat op de speelvloer vallen. Dat doet ze erg geestig. Dat plompverloren omvallen is een terugkerend fenomeen bij verschillende personages: ook  Leonardo, Guglielmo of Tognino storten zich menigmaal weeklagend ter aarde en blijven mokkend op de vloer liggen. Kop in het zand. Als een aandachttrekkend kind dat z’n zin niet krijgt.

Als de personages uit de band schieten, in woede, enthousiasme of hysterie, is het of de spelenergie vaak door de medespelers in de cast niet wordt opgepikt. Daardoor voelt de voorstelling aan als een verzameling losse scènes, die elk weer bestaan uit solo’s. Tekenend is een scène na de pauze. Dienstmeisje Brigida komt aanzetten met een brief voor Giacinta, geschreven door Guglielmo. In een lange stuntelscène tobt Giacinta, in grote nervositeit, met het wel of niet openmaken van de brief. Karina Smulders trekt van leer met rare grimassen, scherp en geestig fysiek spel om de tweestrijd van Giacinta uit te beelden. Ze wordt daarin met bewondering gadegeslagen, ook door Brigida.

Het doet denken aan een lazzi uit de nog steeds tot de verbeelding sprekende toneelvorm Commedia dell’arte: een scène waarin een virtuoos acteur kon soleren, grotendeels losgeweekt van de dramatische handeling. Dat doet Smulders met verve. Tijdens de woeste tirades van Giacinta lijken de overige personages weinig in te kunnen brengen. Ondanks de kwaliteit en het onmiskenbare talent van de spelers, die allemaal hun moment krijgen om even te knallen – Hugo Koolschijn speelt een hilarische en tragische stuntel, Roeland Fernhout een valse slijmbal, Fedja van Huêt een geweldige driftkop, Fred Goessens een sluwe manipulator en Camilla Siegertsz een maniakaal grappig viswijf – begint al dat gesoleer toch snel te vervelen, waardoor de vaart uit de scènes en de voorstelling wegsijpelt.

Geen muziek
Even terug naar de schijver. Carlo Goldoni (1707-1793) was een van de meest invloedrijke vernieuwers uit de theatergeschiedenis. Het theater in Italië, waar de Commedia dell’arte ontstaan is, was in Goldoni’s tijd verworden tot een routinematig en voorspelbaar fenomeen. In toenemende mate zochten de acteurs hun toevlucht tot banale grappen en acrobatiek. Goldoni probeerde een vastgeroeste theatrale traditie open te breken door zijn toneelteksten volledig uit te schrijven, en zo afstand te nemen van de Commedia dell’arte scenario’s die ruimte lieten voor veel virtuoze improvisatie.

Theater moest herkenbaar worden en meer in de samenleving komen te staan. Dat deed Goldoni door een groteremate van realisme in te brengen op zowel tekst- als spelgebied. Een aantal van zijn veranderingen waren het invoeren van een expliciete morele stellingname, aandacht voor de karakterontwikkeling van de personages, en het gebruik van het Venetiaanse dialect (de gewone spreektaal in plaats van gekunstelde retorische stijlfiguren).

Zijn bekendste stukken zijn Il servitore di due padroni (De knecht van twee meesters, 1749) en Il ventaglio (De waaier, 1765). Zomertrilogie bestaat uit de werken Les manie per la villeggiatura, Le avventure della villeggiatura en Il ritorno della villeggiatura (allen uit 1761). Naast toneelschrijver was Goldoni ook werkzaam als librettist voor de opera. Hij schreef een
stuk of vijftig libretti en zijn werk werd door veel achttiende-eeuwse componisten gebruikt. Zo ontwikkelde Goldoni een bijzonder gevoel voor ritme en muzikaliteit. In zijn toneelstukken, zoals Le Baruffe Chiozzotte (Krakeel in Chioggia, 1762) of het eerder genoemde Il servitore di due padroni, vormt de manier waarop de stemmen van de personages elkaar aanvullen en in elkaar overvloeien een doordacht muzikaal geheel. De actie valt nergens stil, omdat hij gedragen wordt door een evenwichtige structuur.

Dat is nu precies wat er schort aan Zomertrilogie. Het lijkt alsof de regie té weinig aandacht heeft gehad voor de muzikaliteit van de tekst, en te veel heeft ingezet op het onmiskenbaar grote speeltalent van de acteurs. Juist door de acteurs alle ruimte te geven om te soleren – weliswaar niet in improvisatie, maar wel in het opeisen van individuele momenten in de scène – ontkracht de regie de compositie van het stuk.

Geen ruimte
Naarmate het stuk vordert, wordt het decor met de zes deuren steeds verder gedemonteerd,
opgehesen en weggedragen. Er blijft geen enkele deur meer over om dicht te slaan, ook het achterdoek verdwijnt in de lucht en de kale achterwand van het theater wordt zichtbaar. Op een leeg podium blijven de acteurs achter, die zich in hun spel – eerst voornamelijk op de voorgrond van het toneel, later helemaal tegen de achterwand – steeds meer richten tot het publiek. “Op dit moment had de schrijver een wanhopige monoloog ingepland,” zegt Giacinta, wanneer ze zich vlak voor de pauze onverwacht tot het publiek wendt. “Dat zal ik u besparen.” Een merkwaardige breuk; tot dat moment is Zomertrilogie vooral een in zichzelf gekeerde klucht.

Vanaf de pauze sluipen meer van dergelijke terzijdes de voorstelling binnen. De personages komen hierbij echter nooit los van de acteurs. In haar terzijdes hanteert Smulders dezelfde grimassen, neurotische motoriek en bitcherige toon in haar stem waarmee ze haar personage Giacinta vormgeeft. Ze houdt het masker van haar personage op, ook als ze in haar contact met het publiek buiten de wereld van het toneelstuk stapt. Het is Giacinta die ons toespreekt, niet Karina Smulders. “Maak es open,” bijt ze een toeschouwer op de eerste rij toe, terwijl ze hem de brief van Guglielmo in de handen propt, en graait de brief vrijwel meteen weer terug. Giacinta behandelt het publiek met dezelfde minachting als haar minnaar, dienstmeisje of vader. Het spel blijft ingeleefd, wat ook geldt voor de andere acteurs.

Deus ex machina
In 2003 zag ik in de Brakke Grond Tg Stan met hun voorstelling Poquelin: een vrije samenvoeging van een aantal kluchtige stukken van Molière – waaronder La Malade Imaginaire (1673) en Dom Juan (1655). Bij wijze van proloog stonden bij aanvang de acteurs halfnaakt in een freeze op een verhoging van planken. Regisseur Matthias de Koning toonde de acteurs en hun kale lichamen in alle naaktheid, alvorens zij in de voorstelling allerlei ‘maskers’ gingen opzetten.

Poquelin was een aaneenschakeling van absurdistische korte scènes, die net als in Zomertrilogie veel weg hadden van Commedia dell’artescenario’s: vaders die dochters willen uithuwelijken, talloze chaotische misverstanden, list en bedrog van slimme dienstmaagden, vaders die strijden om de hand van de verloofde van hun zoons, rivalen in de liefde die elkaar van kant willen maken, tirannieke hypochondrische vaders en zwijmelende rijkeluisvrouwen. Dit alles werd bij elkaar gehouden door een fantastische cast – onder andere met Damiaan de Schrijver – die met een enorm spelplezier en schijnbaar geïmproviseerd, archetypische personages ten tonele bracht. De acteurs stapten in en uit hun rol, gaven commentaar en moedigden elkaar aan in hun spel.

Juist door stilering, in dit geval die van een zichtbare afstand tussen de acteur en zijn rol, ontstond bij Poquelin – paradoxaal genoeg – ook ruimte voor ontroering. Ondanks de kolder en de platte verhaaltjes zag je zo de aangrijpende onvolkomenheid van theater: zie de stuntelende mens die maar steeds zijn rare toneelstukjes opvoert. De vraag is waarom regisseur Ivo van Hove niet heeft gekozen voor een vergelijkbare luchtige ruimte tussen acteur en personage. Het solerende spel blijft heel erg ingeleefd en dik aangezet, waardoor in combinatie met de oninteressante plot de voorstelling snel gaat vervelen. Zomertrilogie begint als klucht, maar eindigt als ongeloofwaardige tragedie. En ook dat wringt.

Door manipulatie van raadgever Fulgenzio, die vooral wijst op de financiële belangen die spelen, worden de (opvallend sterke) vrouwen aan het slot van het stuk toch uitgehuwelijkt aan, en door, een stelletje mannelijke losers. Niemand eindigt gelukkig, maar het vreemde is dat iedereen dit schouderophalend laat gebeuren: onverklaarbaar gezien het hysterische en komische gerebelleer van de voorgaande drie uur. In een bloedserieuze slotmonoloog onderwerpt Giacinta zich aan haar nieuwe echtgenoot en aan de wil van haar vader. Dit einde doet denken aan Van Hove’s eerdere productie Het Temmen van de Feeks (2005), waar vrije vrouw Katharina na al haar woeste tirades zich toch slaafs onderwerpt aan de machomannetjes. In de strijd van de liefde wint in Zomertrilogie, geheel onverwacht, boekhouder Fulgenzio. Met haar man stapt Giacinta de ondergaande zon tegemoet en het podium af. Fulgenzio steekt zijn duim op naar het publiek, als een cynische deus ex machina.

Een dergelijke grote ingreep in stijl en toon zou beter verteerbaar zijn geweest als er al eerder wat (kritische) ruimte tussen het verhaal, de personages en de acteurs was genomen. Dan waren er meer mogelijkheden voor interpretatie geweest. Het consequent ingeleefde spel maakt nu het serieuze, cynische einde volkomen ongeloofwaardig en misplaatst. Zomertrilogie voelt als een onbevredigend onderzoek naar de mogelijkheden van een verouderde theatervorm. Anno 2010 overtuigt dit niet meer.

Zomertrilogie
Toneelgroep Amsterdam
Van: Carlo Goldoni
Vertaling: Gerardjan Rijnders
Regie: Ivo van Hove
Met: Karina Smulders, Hugo Koolschijn, Fedja van Huêt, Marieke Heebink, Barry Atsma, Roeland Fernhout, Hans Kesting, Fred Goessens, Chico Kenzari, Janni Goslinga, Kitty Courbois, Camilla Siegertsz, Reneé Fokker, Charlie Chan Dagelet, Eelco Smits.
17 jan t/m 25 april 2010