

JHM Magazine, nr. 1 – jaargang 19 – februari / mei 2010
Danielle van Vree presenteert haar performancekunst in Theater Frascati. ‘Ik laat duidelijk zien hoe ik de toeschouwer probeer te manipuleren.’
DANIËL BERTINA
“Ik voel me vaak héél ongemakkelijk bij publieksparticipatie,” zegt Danielle van Vree, bijna verontschuldigend. Opvallend, want haar performancekunst lijkt juist te draaien om het onwennige, persoonlijke contact tussen de toeschouwer en de speler. “Die bijzondere spanning tussen intimiteit en afstandelijkheid, tussen werkelijkheid en fictie. Daar zoek ik naar.”
6×1 Performance, de ruimte tussen de dingen speelt in theaterzaal 3 van Frascati – maar is geen normale voorstelling, eerder een theatrale tentoonstelling. Mimespeler en beeldend kunstenaar Danielle van Vree (Den Haag, 1969) toont in zes avonden zes van haar performances, met spel en videoprojectie, soms bijgestaan door een handvol geestverwanten. Ze exposeerde en speelde haar werk in Australië, Zuid-Afrika, Spanje en China.
De theatrale tentoonstelling bestaat uit drie eerder uitgevoerde werken in een nieuw jasje, en drie nieuwe stukken. Elke avond wordt totaal anders. Het zijn performances van verschillende lengte, variërend van enkele minuten tot twee uur.
Het is elke keer weer spannend in hoeverre de mensen mee willen doen, aldus Van Vree. “Musique de table (2006) ga ik meer dan twee uur achter elkaar doorspelen. Maar het stukje duurt eigenlijk drie minuten, want ik doe het één-op-één.”
In haar atelier aan het water van de Houthaven laat Danielle van Vree een opname zien van Musique de table. Een nietsvermoedende bezoeker wordt door een serene stem op een bandrecordertje aangespoord om aan een tafel te gaan zitten, en mee te doen in een soort verstild, droogkomisch afscheidsritueel – samen met de kunstenaar.
“Ik ben gefascineerd door de zeggingskracht van hele simpele handelingen en gebaren. Ik probeer daarin een diepere laag aan te boren. Mijn werk is heel transparant: ik laat duidelijk zien hoe ik probeer de toeschouwer te manipuleren. Uiteindelijk gaat het over de grote thema’s als afscheid, leven en dood.”
Danielle van Vree studeerde in 1995 af aan de mimeopleiding van de Amsterdamse Theaterschool en werkte een aantal jaar als theatermaker en regisseur. “In het theater voelde ik me altijd heel kwetsbaar. Je staat daar zélf te spelen dus kritiek komt heel dichtbij. Ook de lange duur van zo’n theatervoorstelling begon me op den duur tegen te staan.”
Haar voorstelling Damn if I (2002) was een omslagpunt. Van Vree nam twee composities van jazzmuzikant Archie Shepp: Damn If I Know en New Africa, en werkte elke noot in de partituur uit tot een beweging. Het resultaat was een bewegingsconcert in stilte, waarbij elke van de zes instrumenten werd ‘belichaamd’ door een speler. Een poging om muziek zichtbaar te maken.
“Ik heb altijd heel beeldend gewerkt, maar theater draait uiteindelijk toch vaak om het vertellen een verhaaltje. Met Damn if I heb ik daar toen even helemaal mee gebroken.” De voorstelling speelde onder andere in jazzbastion Het Bimhuis, en toerde als onderdeel van Blind date, nieuwe theatermakers on tour door het land.
In 2003 belandde ze op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. “Ik wilde buiten de theatrale regels treden en korte, direct herkenbare beelden maken.”
Van Vree besloot om een aantal passages uit haar eerdere voorstellingen los te maken van de oorspronkelijke theateropvoering, en deze als aparte scènes te opnieuw te filmen, of als performance uit te spelen. Zoals Mum & dad (2002)
“In een van mijn voorstellingen zong ik het liedje Are you lonesome tonight van Elvis Presley in de mond van mijn tegenspeler. In de video liet ik dat mijn ouders doen, in close up. Dat werkte veel beter.”
“Met 6×1 Performance, de ruimte tussen de dingen plaats ik drie van mijn oudere werken weer terug in het theater. De drie nieuwe stukken zijn speciaal voor de theaterruimte gemaakt,” vertelt Danielle van Vree. “Op een gegeven moment ben ik gaan filmen, maar ik heb de mime nooit losgelaten. Ik houd ontzettend van het theater.”
Het Parool / Kunst & Media (9 maart 2010)
Coskun Sabah – de grootste ud-speler van zijn generatie – speelt in het Tropentheater op het Turkey Now Festival. Een gesprek uit Istanboel.
DANIËL BERTINA
Hij doet een beetje denken aan André Hazes. In een familierestaurant in Istanboel komt Coskun Sabah – charismatisch, breed grijzend, behangen met gouden kettingen – gehaast binnen. Te laat, want hij zat muurvast in de verkeerschaos. “Istanboels verkeer is een verschrikking.”
Vriend en vijand zijn het eens: Sabah (1952) is een van de àllerbeste ud-spelers van zijn generatie. Gewapend met ud (voor de niet-ingewijden: de Arabische luit), zang, keyboard en drummachine was Sabah met zijn oneman shows begin jaren tachtig hoogstpersoonlijk verantwoordelijk voor de heropleving van de traditionele muziek in Istanboel. Aldus Sabah zelfverzekerd, roerend in zijn thee.
Hij bezong in honderden romantische songs het nachtleven van Istanboel, en verkocht een kleine 2,6 miljoen exemplaren van zijn album Aysim Sana (Ik ben verliefd op jou, 1990). Een onaantastbaar record in de Turkse muziekgeschiedenis.
Binnen het Turkey Now Festival geeft Coskun Sabah op 28 februari een optreden in het Tropentheater. Hij wordt voorafgegaan door de klassieke Turkse fasilmuziek van het Pera Fasil Ensemble met bandleider Nurettin Çelik.
“Ik was de eerste die hier een entertainmentstyle van Turkse volksmuziek introduceerde,” zegt Sabah stellig, terwijl hij met een armzwaai heel Istanboel lijkt te omvatten. “Ook mijn combinatie van pop en volksmuziek was uniek, en kreeg pas tien jaar later navolging. Er zijn fans die het proberen, maar nog steeds kan niemand mijn spelniveau evenaren.”
Sabah, van Armeens-Assyrische afkomst en belijdend Christen, werd geboren in het Koerdische Diyarbakir: een stad in het Zuidoosten van Turkije. Hij leerde het spel van zijn vader.
“In mijn dorp was er geen televisie, en ook bijna geen radio,” herinnert Sabah zich. “Voor vermaak was muziek heel belangrijk. Bij ons thuis kwamen alle topmuzikanten over de vloer om samen te spelen.”
In 1970 werd hij gevraagd om toe te treden tot het orkest van zeer gerespecteerde componist en bandleider Munir Nurettin Selçuk (1900-1981), waar alleen de ‘best of the best’ van de Turkse traditionele muzikanten werden toegelaten. Selçuks portret hangt aan de muur in het restaurant. “Dat is hem,” wijst Sabah, en lijkt even stil te vallen.
De flamboyante popster heeft een bijzondere band met Nederland. Hij was ooit verloofd met Annebeth Berendsen: Miss Universe Nederland 1987 – zijn tegenspeelster in de Turkse speelfilm Anilar (Herinneringen, 1989). Het gelijknamige nummer – opgedragen aan Berendsen – was een hit. Sabah speelde eerder in Nederland, maar voornamelijk voor een Turks publiek. “Nu komt er hopelijk meer een mix. Ik houd van Hollanders: ze zijn eerlijk en zeggen wat ze denken.”
Naast zingen van het Turkse levenslied houdt Sabah zich, samen met zijn broer, bezig met de transcriptie van Assyrische religieuze kerkliederen, en de vertaling naar het Turks. Op verzoek van de Assyrische kerkvaders. Een grote eer, maar deze religieuze muziek zal niet de weg vinden naar zijn optreden in het Tropentheater. Hij wil er niet veel meer over kwijt. Sabah houdt het bij hits van eigen makelij.
Ondanks zijn grote vaardigheid en succes, verschillen de meningen over Sabahs uitgesproken commerciële insteek. Na afloop van het interview valt zijn naam in de taxi. “ Coskun Sabah? Hij speelt op een plastic ud!” roept de taxichauffeur, terwijl hij zich geestdriftig omdraait. “Dàt is toch kitsch?”
Het Parool / Kunst & Media (26 februari 2010)
Kunstenaar Linda Molenaar probeerde zelf een kippenei uit te broeden. De tentoonstelling Octavio & I bij 2x2projects is een verslag van haar surrogaatzwangerschap.
DANIËL BERTINA
“Mensen vragen vaak of ik dierenactivist ben, maar nee,” zegt Linda Molenaar. Geen rare vraag, want de machtsverhouding tussen mensen en dieren is een terugkerend thema in haar werk. Al tien jaar verwerkt zij dierlijke materialen in haar kunst: botten, huiden en haren. Ze verscheurde, verkleed als vos, in Foxy (2008) eigenhandig een dode kip, en bouwde een modelvliegtuigje van zwanenbotten (Vogelvrij, 2001).
“Onze relatie met dieren zegt iets over ons mens-zijn,” vertelt Linda Molenaar (Beverwijk, 1972). “Er is iets mis met onze consumptiedrift. Ik speel met die gedachte, maar ben niet zo moralistisch. Ik gebruik dieren als metafoor en probeer met mijn kunst een soort nieuwe, direct herkenbare spreekwoorden te maken.”
De tentoonstelling Octavio & I – met video, beelden en performance – draait om Molenaars poging zélf een kippenei uit te broeden. De expositie is het resultaat van haar afstudeerproject aan de DasArts opleiding van de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten, die ze vorig jaar voltooide.
Octavio & I is tot en met 20 maart te zien in 2x2projects aan de Veemkade. De bijbehorende vervreemdende performance, waarin Molenaar verkleed als levensgrote kip – letterlijk – op stok gaat, is elke zaterdag te bekijken.
Op 1 mei vorig jaar begon Molenaar aan haar broedproject met zeventien eieren van de raskippensoort Silver Sebright Kriel. Eén ei werd ingesnoerd in een broedbuidel om haar buik, eentje ging tussen haar borsten en de rest ging als reserve in een broedmachine.
Op haar weblog legde ze haar ervaringen en gedachten over deze surrogaatzwangerschap vast in korte essays en ontwapenende filmpjes.
“Het werk is een speelse fantasie. Alsof het me wél is gelukt,” zegt Molenaar. Want helaas: het ei in de buidel kwam een heel eind maar bleek na achttien dagen toch onvolgroeid te zijn. Alleen zes kuikens uit de broedmachine waren levensvatbaar. Eén van hen doopte ze Octavio.
“Het is een goede burnout remedie,” lacht Molenaar. “Ik ben altijd heel erg druk, maar kwam tijdens dat broeden helemaal tot rust.”
Linda Molenaar ontdekte de performancekunst via het beeldhouwen. In 1997 studeerde ze af aan de beeldhouwopleiding van de Constantijn Huygens Academie en volgde een aansluitende stage bij de Belgische kunstenaar Jan Fabre.
“Ik ben steeds meer zélf in mijn eigen beelden gaan kruipen. Ik wilde meer leren over die podiumkant van kunst. Hoe zorg je dat het interessant én toegankelijk blijft? Zo kwam ik uit bij DasArts.”
In het prachtige Still life live (2005) hing ze zichzelf, verkleed als geschoten hert, aan één been ondersteboven op. Als menselijk jachtstilleven. Dertig pijnlijke minuten lang. Ook haar optreden als kip bij Octavio & I wordt een vergelijkbare uitputtingslag.
“De eerste keer dat ik die performance deed viel ik na twintig minuten van m’n stok. Het is heel zwaar om te blijven zitten. Maar de duur is belangrijk. Zo wordt je inzet en betrokkenheid voelbaar.”
Linda Molenaar exposeerde bij galeries in de Verenigde Staten, Duitsland, Frankrijk en België. Daarnaast geeft ze als freelancer les op onder andere de Rietveld Academie, en werkt bij De Nederlandse Opera en het Nationale Ballet als figurant, kleedster en rekwisiteur.
Haar kunst wordt soms vergeleken met het werk van Koen Vanmechelen: een merkwaardige Belgische kunstenaar die met een uitgebreid fokprogramma probeert de ultieme, utopische kippensoort te kweken. Of dichter bij huis: shockart kunstenaar Tinkebell met haar opgezette huisdieren.
“Ik duik liever in mijn eigen sprookjeswereld,” zegt Linda Molenaar. “Die probeer ik zó realistisch te maken dat het bijna echt lijkt. Dat is mijn poëzie. In een wereld van schreeuwers wil ik niet voor de schreeuwaanpak gaan. Ik verstop me liever en hoop dat mensen me vinden.”
linda.molenaar.nu / www.2x2p.com
Het Parool / Kunst & Media (1 maart 2010)
De overzichtstentoonstelling van kunstenaar Hoshyar Rasheed is te zien bij Beemster Art Center. Kunst uit Koerdistan, via Abu Ghraib, terechtgekomen in Amsterdam.
DANIËL BERTINA
Kunstenaar Hoshyar Rasheed pakt een schets. Een kleurrijk Gaudí-achtig fantasiewezen spert zijn bek open en steekt z’n lange tong uit. Dit wordt de poort voor de speelplaats in het Gerbrandypark in Amsterdam West. Over de tong, door de bek van droombeest kunnen kinderen de speeltuin in. Grote mensen zullen moeten bukken. “Volwassenen moeten soms een beetje kind worden,” lacht Rasheed. “Dat is het idee.”
Hoshyar Rasheed (1971) is een veelzijdig kunstenaar. Naast zijn speelse en dromerige schilderwerk tekent hij met verdunde koffie, bouwt en boetseert hij totempalen en figuurtjes van klei, glasvezel en papier-maché, en maakt keramische schalen, gedetailleerde mozaïeken en kunstobjecten in de openbare ruimte.
Morgen opent een overzichttentoonstelling van zijn werk in Beemster Art Center in de Sint Nicolaasstraat. De expositie duurt tot en met 26 maart.
“Ons huis bestond uit boeken en verf,” lacht Hoshyar Rasheed. Zijn familie stamt uit de Koerdische provincie Sulaimania, in het noordoosten van het huidige Irak. Het gezin bestond uit activisten, kunstenaars, critici, journalisten en kunsthistorici. “Er werd thuis altijd gediscussieerd over literatuur, politiek en kunst. Het voelde heel poëtisch.”
De familie Rasheed maakte deel uit van de linkse oppositie tegen Saddam Hoessein en vocht voor een onafhankelijk Koerdistan. “Het was een angstige tijd zonder hoop. Toen ik zestien was ben ik door een ‘vriend’ verraden en uitgeleverd aan de geheime politie. Drie jaar lang zat ik in de Abu Ghraib gevangenis. Ik heb daar vreselijke dingen meegemaakt.”
Rasheed pakt een zwarte map met tientallen prachtige, heel gedetailleerde pentekeningen op kleine stukjes papier. Gemaakt in gevangenschap. Ondanks de martelingen bleef hij in het geheim kunst maken en liet zijn tekeningen naar buiten smokkelen.
In 1992 bemiddelde de Verenigde Naties in een gevangenenuitruil en werd Rasheed met zeventien anderen vrijgelaten. Puur geluk, want hij stond al enige tijd op de dodenlijst. “Toen ik terugkwam in Koerdistan was het de mooiste dag van mijn leven. Ik werd als held onthaald, was zwak als kauwgum, maar vrij.”
De euforie duurde niet lang. Rasheed kreeg al snel te horen dat hij weer op een zwarte lijst stond. “Ze konden me niet langer beschermen. Ik was een soort symbool van het verzet geworden, dus kwetsbaar.”
Hij vluchtte naar Moskou, voelde zich ook daar niet veilig, en eindigde in Amsterdam. “Het enige wat ik kende van Nederland was Vincent van Gogh, maar ik voelde me hier meteen thuis.” Bij aankomst in 1992 werd hij meteen toegelaten tot de AKI kunstacademie in Enschede, en stroomde na twee jaar door naar de Rietveld Academie in Amsterdam.
“Mijn eigen nachtmerries gingen snel over,” zegt Rasheed nuchter, terwijl hij de map met gevangenistekeningen dichtslaat. “Kunst werd een taal om te overleven en bleek de beste manier om de pijn uit te drijven. Misschien is dat een reden voor mijn enorme productiviteit, maar het voelt alsof ik nog niet eens echt ben begonnen.”
Zijn huis staat tot de nok toe vol met kunst. Enorme stapels schilderijen leunen tegen de muren van zijn woonkamer, en rijen van beelden staan in de vensterbanken te drogen. Op zijn tentoonstelling in Beemster Art Center gaat hij van alles wat laten zien.
Hoshyar Rasheed maakte ook werk in opdracht van Amnesty International, waaronder het ontwerp voor de vluchtelingenactie Human rights have no borders (1997). In 2002 bouwde hij een vredesmonument in het stadje Trujillo (Colombia), voor de driehonderd burgers die in het geweld tussen paramilitairen en guerrilla’s waren vermoord.
“Ik kwam daar om een monument te maken en een workshop te geven voor de weeskinderen. Maar wat kan je daar als kunstenaar nog betekenen? Ik ben – met mijn gebroken Spaans – toen maar begonnen met het opruimen van de school. Zo ontstond er vanzelf een wederzijds vertrouwen.”
“Op verzoek van de nabestaanden heb ik uiteindelijk de stoffelijke resten van de slachtoffers van hun graf naar het monument gedragen. Ik heb heen en weer gelopen met plastic zakken vol botten. Dat blijft je bij.”
“Mijn werk is een eerbetoon aan de mooiste vrienden die ik verloren heb,” zegt Hoshyar Rasheed. “Dat verdriet is soms té groot om te bevatten, maar het is je taak als kunstenaar om schoonheid te creëren.”
www.hoshyar.nl / www.beemsterart.com
Tentoonstelling 26 februari t/m 26 maart – Beemster Art Center, Sint Nicolaasstraat 21, Amsterdam Centrum
Het Parool / Kunst & Media (25 februari 2010)
Wouter Hamel viert de internationale release van zijn cd Nobody’s tune met een optreden in Club Panama. Japan en Korea zijn al om.
DANIËL BERTINA
Het gaat goed met zanger Wouter Hamel en zijn ‘vintage jazzy pop’. Hij speelde op vrijwel alle muziekfestivals in Nederland, bracht twee albums uit en werd ontzettend populair in Azië. Sinds het uitkomen van zijn debuut-cd Hamel (2007) toert hij door Japan en Korea, en ook in Taiwan is nu een fanatieke fanschare actief. Tot zijn eigen verbazing.
“Hoe dat zo komt is lastig te achterhalen,” zegt Hamel. Een Japanse DJ ‘ontdekte’ hem via MySpace en draaide zijn muziek helemaal grijs op de lokale radio. “Toen ik daar speelde kon het publiek woord-voor-woord mee zingen. Die Japanse fans zijn heel fanatiek. Ze hadden de hele creditlijst van de cd uitgeplozen en kwamen met allemaal gedetailleerde vragen over onze rare instrumentatie.”
Vorig jaar kwam zijn tweede album uit: Nobody’s tune. Er verschijnt nu een internationale versie van dit album, die woensdag officieel wordt gepresenteerd met een optreden in Club Panama en bijbehorende theatertournee. De plaat bevat ook een paar oudere nummers van de eerste cd: een praktisch besluit van platenmaatschappij Universal om met één cd een inhaalslag te maken voor de internationale markt.
“Ik had eerst wel wat problemen met die combinatie van ouder en recent werk,” geeft Hamel toe. “Maar het geeft wel een mooi overzicht.” De cd zal eerst in Groot Brittannië, Duitsland en Frankrijk uitkomen, daarna volgt de rest van de wereld. Fans in Japan en Korea hebben het album al.
Wouter Hamel (Den Haag 1977), naast zanger ook multi-instrumentalist en componist, is erg trots op zijn tweede plaat. Voor Nobody’s tune werkte hij wederom samen met producer Tim van Berkenstijn, alias Benny Sings.
“Ik geniet ervan om in de studio met Benny aan die liedjes te knutselen, dat is nog leuker dan optreden. Je zit in het donker te rotzooien en soms wordt je helemaal paranoïde omdat je denkt dingen te horen die er niet zijn. De opluchting is fantastisch als het er eenmaal op staat.”
“We zitten qua stijl overal tussenin en hebben weer een beetje brakke, ouderwetse vintage sound, tussen jazz en pop in. Hoewel sommige mensen het misschien allemaal wel mega slick vinden klinken.”
Het heeft even geduurd voordat Wouter Hamel zich volledig op de muziek durfde te storten. Na zijn afstuderen aan het conservatorium modderde hij een tijdje aan met ‘administratieve kutbaatjes’ en gaf zangles. De omslag kwam toen hij zich in 2005 voor de grap inschreef voor het Nederlands Jazz Vocalisten Concours.
“Het was verre van doordacht. Ik dacht dat ik wel goed kon zingen en had een demo’tje in elkaar gedraaid. Toen ik bleek te zijn geselecteerd was de grap er wel af,” Hamel grijnst: “Een goede vriendin zei dat het tijd werd om mijn talent te gaan verzilveren. Toen gingen de artiestenraderen draaien.”
Hamel won, deed het goed bij programma’s als De Wereld Draait Door en Barend & Van Dorp, en ging samenwerken met het onafhankelijke Nederlandse platenlabel Dox Records (bekend van SfeQ, New Cool Collective en Giovanca) en producer/muzikale geestverwant Benny Sings.
Zijn debuutalbum Hamel (2007) won de Essent Awards, De Eerste Prijs en de Zilveren Harp. Hamel en band speelden de Nederlandse podia plat. Een jaar later behaalde het album de gouden status.
Hamels eerste twee albums werden uitgebracht door Dox. Voor de internationale distributie en uitgave van zijn muziek tekende Hamel onlangs bij muziekgigant Universal. Hamel liet wel vastleggen dat in de Benelux zijn werk uitsluitend op Dox zal verschijnen. Uit loyaliteit.
“Indielabels hebben toch vaak wat meer hart voor de zaak,” vertelt Hamel. “We hebben samen keihard gewerkt op die tournee door Japan, gingen langs bij de kleinste, meest obscure radiozenders en platenlabeltjes en deden tientallen interviews per dag. Allemaal om een buzz te veroorzaken.” Dat lukte. Alle optredens werden uitverkocht en het nummer Breezy werd een karaokehit.
Nietsvermoedende voorbijgangers op de straten van Londen, Glasgow en Machester werden onlangs door Hamel en band getrakteerd op een aantal straatoptredens. Een ludieke actie die werd vastgelegd in filmpjes op zijn website.
“Toen ik daar voor de eerste keer speelde was ik nogal onbekend, en het leek erop dat we niet genoeg kaartjes zouden verkopen. Dus ben ik met min vier op straat gaan spelen. Busking – zoals ze dat daar noemen. Ook wel als geintje natuurlijk. De rest van de toer was overigens een groot succes.”
“Mensen denken vaak dat ik een stilist heb maar die kan ik helemaal niet betalen,” lacht Hamel. “Ik heb het succes te danken aan hard werken, niet aan gecontroleerd imagobeheer. Ik ben toch geen Lady Gaga?”
“De imagokant van het artiestenbestaan heb ik eigenlijk zeer onderschat. Dat is me tegengevallen van de muziekindustrie. Het lijkt soms – zeker in Engeland – alleen nog maar te gaan om je privéleven. Van alle landen in Europa is Nederland wel nog het meest relaxt op dat gebied.”
“Ik ben een heel afwachtend persoon,” zegt Wouter Hamel. “Mijn planning staat nu bewust open voor leuke projecten, zoals een samenwerking met Benjamin Herman. Natuurlijk gaan we ook de zomerfestivals weer af. Ik wil ook wel iets met meer bombast gaan doen, misschien in de richting van Rufus Wainwright of Anthony & the Johnsons. Maar dan zal je zien dat het misschien toch weer die jazzy pop wordt.”
www.wouterhamel.com / www.doxrecords.com
Het Parool / Kunst & Media (24 februari 2010)
Acteursgezelschap ’t Barre Land speelt De laatste dagen der mensheid. Een satirische en ‘onspeelbare’ toneeltekst over de waanzin van de Eerste Wereldoorlog – door Karl Kraus. ‘Absurd dat het stuk niet eerder vertaald is.’
DANIËL BERTINA
“Het is een veelkoppig monster, waar je goed mee kan vechten,” zegt acteur Martijn Nieuwerf over de voorstelling De laatste dagen der mensheid. Aan een tafel in de werkstudio De Snijzaal van acteursgezelschap ’t Barre Land praten zes mensen (drie acteurs, twee vertalers, en één dramaturg) enthousiast door elkaar. Op hoog tempo maken ze elkaars zinnen af, vallen elkaar in de rede en barsten in schaterlachen uit – terwijl ze vertellen over hun fascinatie voor het stuk.
“Dat stuk stond bekend als onspeelbaar. Er komen bijna vijfhonderd personages in voor, en zou in integrale versie ongeveer tien avonden duren om op te voeren,” zegt speler Csezlaw de Wijs bedachtzaam. “Maar ik geloof niet in ‘onspeelbare’ teksten.” “Czeslaw heeft altijd onmogelijke ideeën voor voorstellingen,” lacht Martijn Nieuwerf. Erik Bindervoet mompelt: “En wij zijn weer gespecialiseerd in het vertalen van onvertaalbare werken.”
Toneelspelerensemble ‘t Barre Land raakte zeven jaar geleden gefascineerd door De laatste dagen der mensheid (1919): een inktzwarte satire op de Eerste Wereldoorlog. Dit levenswerk van de Oostenrijkse schrijver en cultuurpessimist Karl Kraus (1847-1936) ging in de versie van ‘t Barre Land in première op 11 november 2008 – precies negentig jaar na de ondertekening van de wapenstilstand.
De laatste dagen der mensheid is donderdag 22 tot en met zaterdag 24 oktober te zien in Theater Frascati. De voorstelling neemt bij elke uitvoering een nieuwe vorm aan.
“Het beslaat in vijf bedrijven de vijf oorlogsjaren, en we hebben vijf verschillende vormen gevonden om het stuk te spelen,” zegt Martijn Nieuwerf grijnzend. “Maar elke keer wordt het weer een nieuwe rangschikking, omdat we steeds weer dingen toevoegen, improviseren en veranderen. Je wilt toch niet elke avond hetzelfde doen?”
Dit is typerend voor de ‘open vorm’ die ‘t Barre Land sinds de oprichting in 1990 hanteert. De acteurs stappen in en uit hun rol en staan hardop te denken, in gesprek met zichzelf, elkaar en het publiek. Een theatervorm die de honderden personages, scènewisselingen en stijlen van het stuk wél speelbaar maakt.
Karl Kraus schreef De laatste dagen der mensheid tijdens de oorlogsjaren, en publiceerde het in delen in zijn opinieblad De fakkel. Hij baseerde zijn gefragmenteerde tekst op krantenknipsels, gesprekken, reclameboodschappen en propagandaberichten. Gedreven door wanhoop en verontwaardigding over de leugens en oorlogsretoriek die hij overal las en hoorde, probeerde hij de tijdgeest – de mentaliteit die de oorlog mogelijk maakte – bloot te leggen.
“Er werd niet ‘nobel gestreden met getrokken zwaard en open vizier’ – mensen werden in loopgraven vergast,” zegt vertaler Robbert-Jan Henkes. Kraus hield de pers verantwoordelijk voor het uitbreken van de oorlog. “Hij ageerde tegen de macht van het ‘militair-industrieel journalistiek complex’. De Eerste Wereldoorlog was de eerste mediaoorlog.”
Hoewel geroemd in het buitenland, is Kraus’ werk in Nederland minder bekend. In 1988 werd De laatste dagen der mensheid bewerkt door Maarten Vonder, en ging dat jaar als opera in Theater Frascati in première. Het integrale stuk werd in vijf jaar tijd vertaald door Robbert-Jan Henkes en Erik Bindervoet, in opdracht van ’t Barre Land.
Dit vuistdikke boek, geïllustreerd door Aart Clerkx, werd tegelijkertijd met de première van de voorstelling uitgegeven door Uitgeverij De Harmonie. Acteur Vincent van den Berg lacht schuldbewust: “We hebben toen met de voorstelling wél een beetje de aandacht voor de boekpresentatie weggekaapt.”
De schrijvers blijven bij de voorstelling betrokken. Ze staan naast de acteurs op het podium, en schrijven daar het Fakkelforum: een soort nieuwsbrief die aan het publiek wordt uitgedeeld. Onder de subtitel De allerlaatste dagen der mensheid komen zo nieuwe scènes en actuele ideeën de voorstelling binnen.
Wat is anno 2009 de relevatie van een toneelstuk over de Eerste Wereldoorlog? “Kunst hoeft toch niet alleen maar te gaan om de waan van de dag?,” zegt Vincent van den Berg. “De huidige tijd is heel erg kleinzerig, zó op het moment gefixeerd,” zegt Martijn Nieuwerf. “Waar we ons in deze tijd allemaal druk over maken zijn niet de dingen die er écht toe doen.”
Volgens Vincent van den Berg heeft De laatste dagen der mensheid de ideale vorm voor deze tijd: “Het is heel postmodern, met veel verschillende stijlen en personages. De enige ontwikkeling is de alsmaar toenemende hoeveelheid lijken en gewonden.” “Karl Kraus heeft vaak gezegd dat niemand van zijn tijdgenoten het stuk zou kunnen lezen, of opvoeren,” zegt Csezlaw de Wijs. “Maar het is eigenlijk absurd dat het niet eerder vertaald is.”
Het Parool / Kunst & Media (16-10-2009)
Een reportage van de derde editie van de Affordable Art Fair Amsterdam in Cultuurpark Westergasfabriek. Aanstormend talent Kasia Klimpel en ervaren galeriehouder Rob Malasch over hun bijdragen aan deze ‘supergrote galerie’.
DANIËL BERTINA
“Ik ben eigenlijk nog een beginner,” zegt fotograaf Kasia Klimpel vanuit haar woonplaats Basel. Haar afstudeerproject Still (2009) is te zien in Ongekend Talent: een tentoonstelling van nieuwe talentvolle kunstenaars op de Affordable Art Fair. Deze kunstbeurs is tot en met zondag te bezoeken. “Het is fijn om mijn werk weer te kunnen tonen, te netwerken en misschien ook wat te verkopen.”
Voor de derde maal staat de Affordable Art Fair (AAF) in Cultuurpark Westergasfabriek. 86 kunstgaleries richtten zich met hun prijzen – tot maximaal 5000 euro – zowel op de beginnende kunstkoper als de geroutineerde verzamelaar. Vorig jaar trok het evenement ruim 10.000 bezoekers.
Kasia Klimpel (Polen, 1970) studeerde Engels en psychologie. “Ik wilde al van jongs af aan fotograaf worden, maar durfde mij er eerst niet volledig op toe te leggen.” Uiteindelijk volgde ze een deeltijdopleiding fotografie aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten Den Haag, en won daar de Afdelingsprijs Fotografie.
Fairmanager en -organisator Joost Gijselman nodigde haar uit, naast zes andere nieuwkomers, om werk te tonen in de serie Ongekend Talent. Bezoekers kunnen per sms stemmen op hun favoriete nieuwe kunstenaar, en ook werk aanschaffen.
In haar fotoserie Still (2009) toont Klimpel een aantal beelden van onmiddellijk herkenbare natuurverschijnselen: zonsopgang, bergen en zeegezichten – maar dan meer vervaagd en abstract. “Ik wilde met dit project onderzoeken hoe mensen beeld geven aan de natuur – door middel van fotografie – en welke clichés daarbij steeds terugkomen.”
Klimpel liet zich inspireren door amateurfotografie. Ze verzamelde een groot aantal natuurfoto’s, maakte deze na met gekleurd papier, en fotografeerde het resultaat opnieuw. “De achterliggende gedachte is dat wij de natuur zélf steeds meer ervaren aan de hand van die clichés.”
The Affordable Art Fair is een initiatief van de Britse galeriehouder Will Ramsay. Zijn galerie richtte zich op relatief onbekende – en daardoor goedkopere – hedendaagse kunst.
In 1999 organiseerde Ramsay de eerste editie in het Londense Battersea Park. Drie jaar geleden haalde Paul Matthews de kunstbeurs naar Amsterdam. De AAF wordt ook in New York, Sydney, Parijs, Brussel en Melbourne gehouden.
“De Affordable Art Fair dient nu voor mij als een soort supergrote galerie,” zegt Kasia Klimpel. Als beginnende kunstenaar gebruikt zij het evenement om haar werk bij een groot publiek onder de aandacht te brengen. Ze is (nog) niet verbonden aan een kunstgalerie. “Ik wil mijn werk verder verdiepen, maar op mijn eigen tempo.”
Veel hedendaagse kunstenaars doen steeds meer aan zelfpromotie, en regelen hun eigen zaken, stelt galeriehouder Rob Malasch van Serieuze Zaken Studioos. De vraag is welke rol de kunstgaleries in de toekomst nog kunnen spelen.
“Ik denk dat we meer een verzamelaarfunctie zullen krijgen, in plaats van alleen maar de belangen van de kunstenaar te behartigen. Ik probeer me daarin ook te vernieuwen.”
In de Gashouder op het Westergasfabriekterrein loopt Malasch langs een aantal stands in opbouw – helemaal volgehangen met felgekleurde kunst. Hij schudt grijnzend zijn hoofd: “Veel van wat hier hangt is – op z’n zachts gezegd – not my cup of tea. Maar: hoe meer zooi, des te meer ik eruit spring.”
Serieuze Zaken toont onder andere werk van Pär Strömberg, Pieter de Kok en Richard Hutten. “Als je een goed oog hebt kan je er juweeltjes tussenuit vissen,” zegt Malasch aanmoedigend. “Dat is het spel.”
Malasch is enthousiast over het evenement. Veel gevestigde collega’s uit de kunst- en galeriewereld waren echter ‘stomverbaasd’ dat hij aan de AAF meedoet, vanwege het laagdrempelige en uitgesproken commerciële karakter van de beurs.
“Ik kom al 15 jaar op allerlei kunstbeurzen. Daar krijg je steeds weer die saaie kunsthistorische verhalen naar je hoofd geslingerd, en je ziet altijd dezelfde chagrijnige koppen. Het is toch heel inspirerend hoe deze enthousiaste jonge mensen erin zijn geslaagd om dit wereldwijd te organiseren?”
Wat de Affordable Art Fair volgens hem anders maakt, is dat de organisatie terug gaat naar de essentie van de kunstbeurs. “Ze willen goed verkopen, en het is allemaal veel minder elitair en pretentieus,” zegt Rob Malasch. “Toch is kunst nooit écht affordable – men vindt het altijd té duur.”
www.serieuzezaken.info
Het Parool / Kunst & Media (29-10-2009)
De derde editie van het Turkey Now Festival, die van start ging in Rotterdam, komt nu ook naar Amsterdam. Drie maanden film, theater en muziek van topartiesten uit Turkije. Een voorproefje uit Istanboel.
DANIËL BERTINA
Als een rondtollende derwisj komt ze binnenzwalken, draaiend om haar as en schaterlachend naar de verzamelde cameracrews van de Turkse roddelpers. De fel geblondeerde Kibariye – flamboyante zangers, trotse Roma en Turks popidool – geeft een persconferentie in een hotel in een grauwe buitenwijk van Istanboel.
Kibariye opent op 4 februari samen met het Rosenberg Trio de derde editie van het culturele festival Turkey Now, in Rotterdam. Het wordt de tweede keer dat ze met de Rosenbergs op de planken staat. De hyperactieve Kibariye springt bijna uit haar stoel: “Het wordt super! super! super!”
Met een filmprogramma in het Tropentheater gaat op 9 februari Turkey Now ook in Amsterdam van start. Drie maanden lang zijn verschillende evenementen te bezoeken. Centraal staat het thema Istanboel als culturele hoofdstad van Europa, maar draait ook om de kruisbestuiving tussen de Turkse en Nederlandse cultuur.
Istanboel als culturele hoofdstad van Europa staat centraal
Turkey Now biedt vooral veel muziek, naast hedendaagse Turkse films en theatervoorstellingen van het Onafhankelijk Toneel en Theater RAST. Artiesten zoals Rojin, Serkan Çagri, Coskun Sabah, Fahrettin Yardin en Sevval Sam – wereldberoemd in Turkije, obscuur in Nederland – brengen de diverse muziektradities van Istanboel naar Nederland. Van popmuziek, rock en experimentele jazz, tot traditionele volksliederen, fasil en religieuze muziek.
Het Turkey Now Festival stamt uit 2007. De eerste twee edities kwamen tot stand in samenwerking met de Istanbul Foundation for Culture and Arts en Stichting Kulsan. Dit jaar deed Kulsan de organisatie alleen, gesteund door de Turkse overheid. Het lijkt of Turkije als kandidaat lidstaat van de Europese Unie met dit festival naast een politieke, ook een culturele ingang probeert te vinden in Fort Europa.
“Turkije is een land van contrasten, niets is eenduidig hier,” zegt consul-generaal Onno Kervers in het Nederlandse consulaat, gelegen aan de krankzinnig drukke winkelstraat Istiklâl Caddesi. Tot diep in de nacht ziet het hier zwart van de mensen: hippe, jonge Istanbulis flaneren langs tot de tanden bewapende politieagenten en diep armoedige zwervers.
“Dit land kent grote inkomensverschillen en ook de mensenrechtensituatie blijft een aandachtspunt,” merkt Kervers kritisch op. “Er is veel verdeeldheid, ook over de toetreding tot Europa.”
Nederland onderhoudt sinds 1612 diplomatieke- en handelsbetrekkingen met Turkije. Het consulaat huist al die tijd in Istanboel. “Ankara is natuurlijk de officiële hoofdstad. Maar Istanboel is happening: het culturele zwaartepunt heeft altijd hier gelegen.”
Met haar 16 miljoen inwoners, in een gebied ter grootte van de provincie Utrecht, wordt Istanboel al eeuwen gezien als een kruispunt tussen Europa en Azië. De Griekse mythologie kent het verhaal van Europa, de dochter van de Aziatische koning Agenor, die door de Griekse oppergod Zeus (in de gedaante van een stier) op zijn rug naar het Westen werd gedragen, over de rivier de Bosporus die de stad doorkruist. Zo kreeg het continent Europa haar naam.
In een restaurant, met uitzicht over deze Bosporus, komt de goedlachse percussionist Fahrettin Yardin binnengelopen. Samen met zijn broer Feruh en een stel muzikale geestverwanten brengt op 19 februari Istanbul sacrée naar het Tropentheater: een samenwerking van muzikanten afkomstig uit de vier grote religieuze groepen van de stad: Sefardische Joden, Christelijke Armenen, Orthodox-Christelijke Grieken en Islamitische Turken.
“Al sinds de Ottomaanse tijd bestaat mijn familie voornamelijk uit militairen,” lacht Yardin, terwijl op de achtergrond vanuit een naburige moskee de aanroep tot gebed klinkt en de misthoorns van de langsvarende Russische olietankers door de stad schallen. “Maar ik heb me altijd gevoed met religieuze muziek, want die is heel complex. Er valt ontzettend veel van te leren.”
“Eeuwenlang leven hier in deze stad verschillende religies samen,” vertelt Yardin over zijn inspiratie voor Istanbul sacrée. Elke groep gebruikt vergelijkbare muzikale patronen, uniek aan Istanboel. “We hebben geprobeerd om met respect met al die liederen om te gaan. Het gaat ons erom de unieke, authentieke stijl en mix van culturen naar Nederland te brengen.”
Van sacraal naar modern is in Istanboel een kleine stap. Het bandje Baba Zula is een verademing met hun woeste mengelmoes van ethnojazz, volksmuziek, dub, elektronica en reggae. In Club Babylon speelt deze formatie, bestaande uit een saz-speler, sampler en percussionist, zangeres en twee uitzinnige buikdanseressen, het dak eraf. Op de zijwand tovert een vrouwelijke VJ gewapend met laptop en lichtprojector geestige animaties op de muur. Baba Zula staat 11 april in Paradiso.
Wie zich in Turkije via YouTube wil verdiepen in artiesten zoals Baba Zula, komt echter bedrogen uit. Sinds 2007 wordt YouTube door Turk Telecom geblokkeerd naar aanleiding van een scheldpartij tussen Turkse en Griekse gebruikers, waarin de Turkse staatsman Atatürk voor homo werd uitgemaakt. Vanwege ‘belediging van de Turkse identiteit’ sommeerde de Turkse gerechtelijke macht de website sindsdien uit de lucht te houden.
Kritische kunstenaars en dissidenten worden geregeld met dit soort vage wetsartikels om de oren geslagen. Zo werd de populaire Koerdische zangeres Rojin – 17 maart te zien in Podium Mozaïek – in 2003 gearresteerd na het zingen van een Koerdisch volksliedje.
Culturele identiteit is een spanningsveld, ook in Turkije, onderschrijft zangeres Sevval Sam. Met haar veeltalige volksliederen uit de regio van de Zwarte Zee zal zij op 1 april in De Meervaart het officiële afsluitingconcert van Turkey Now verzorgen.
“Maar ik verwerp elke vorm van fanatisme,” roept Sem bevlogen. “Alleen al in Anatolië wonen meer dan veertig verschillende culturen samen. Diversiteit is onze rijkdom en muziek is het meest effectieve, universele instrument om iedereen mee te bereiken.”
Het Parool / Kunst & Media (8-2-2010)
Op 1 februari werd in De Bazel de S7Summit gehouden: een debat
over de culturele kracht van Amsterdam, aangezwengeld door Ann Demeester.
Wethouder Gehrels mist nog de onderbouwing.
Click onderstaande link voor de pdf
Kritiek op studie van Ann Demeester / Het Parool
Door Daniël Bertina
Het Parool Kunst & Media (2-2-2010)