‘Zware levenslust inspireert me’ / Interview met Annick Ligtermoet

Op de fototentoonstelling Rendition van Seelevel Photo Gallery in het TrouwAmsterdam gebouw presenteerden zes nieuwe talenten hun werk, waaronder fotograaf Annick Ligtermoet.

DANIËL BERTINA

“Eén week eerder werd daar een kinderlijkje gevonden, gewurgd met een startkabel,” zegt fotograaf Annick Ligtermoet peinzend, terwijl ze naar haar een van haar foto’s wijst. Een onheilspellende, mistige rivier in een Russisch bos. Zowel de titel van de foto – Stalker – als de compositie, verwijzen naar de gelijknamige film van Andrej Tarkovski: een van haar inspiratiebronnen.

“Mijn werk draait om Zwarte Romantiek: een ontzag voor de vergankelijkheid,” zegt Ligtermoet. “Ik ben op zoek naar hoe schoonheid uit ellende kan ontstaan.”

Met vijf andere fotografen exposeert Ligtermoet op Rendition: een groepstentoonstelling van Seelevel Photo Gallery in het TrouwAmsterdam gebouw aan de Wibautstraat. Rond het thema ‘de creatie van een nieuwe werkelijkheid’ selecteerde Seelevel zes aanstromende kunstfotografen om een dwarsdoorsnede van hun werk te presenteren, en te verkopen. Rendition opent zaterdag en is tot en met 22 december gratis te bezoeken.

“Normaal werk ik meer in series,” zegt Annick Ligtermoet, net terug van een fotoproject in Rusland. “Ik had van jongs af aan al het gevoel dat ik dat land moest veroveren. De zware levenslust die je daar voelt is heel inspirerend.”

Annick Ligtermoet (1983) studeerde vorig jaar af aan de Koninklijke Academie voor Beeldende Kunsten in Den Haag. Na het winnen van een startstipendium exposeerde ze in de Horton Gallery in New York, en Galleria Glance in Turijn.

Dit was deels te danken aan  het internet. Haar eindexamenwerk werd geprezen op het invloedrijke weblog I Heart Photograph en vrijwel meteen werd ze benaderd voor exposities. Ook door Seelevel. “Internet is de bron van het geluk.”

De donkere thematiek in haar foto’s is opvallend, maar ook de diversiteit in stijlen. Ligtermoet werkt zowel analoog als digitaal, bouwt uitgebreide decors in de studio en maakt daarnaast impulsieve momentopnames. Ze wisselt statige, verstilde portretten af met landschapsfotografie. Alles wordt uitvoerig digitaal nabewerkt, wat de beelden een sfeer van vervreemding meegeeft.

“Ik ben steeds minder bezig met het zoeken naar dé perfecte esthetiek, want dat levert vaak doodsaaie foto’s op,” zegt Ligtermoet. “Ik vervorm alles; om het beeld maar uit de realiteit te halen en de toeschouwer te ontregelen.”

Op de academie kreeg ze vaak te horen om haar werk meer in het ‘nu’ te plaatsen. “Maar dat is precies wat ik niet wil doen. Je moet volledig voor je eigen kunstenaarschap gaan en dingen maken waar je zélf achter staat.” Ligermoet valt even stil, en grijnst. “Ik weiger gewoon om vrolijke mensen te fotograferen.”

Carolien O’Breen van Seelevel Photo Gallery begon met Manon Funcke de ‘guerilla galerie’ Seelevel, die steeds op een andere plaats in de stad opduikt. Woningcorporatie Stadsgenoot levert een tijdelijk pand, Seelevel de betaalbare kunst.

“De term guerrilla slaat op onze vrije manier van werken,” zegt Funcke. “We doen veel zaken via het internet en zijn niet aan één plek gebonden.” Een groot deel van de collectie bestaat uit gelimiteerde edities, variërend in prijs van 100 tot 500 euro. Zo wil de galerie tegemoet komen aan de wensen van beginnende kunstkopers en kunstenaars.

Tot nu toe is Rendition het grootste project van Seelevel Photo Gallery. De galerie is sinds februari in gebruik. “Wij werken vanuit onze liefde voor fotografie,” zegt Funcke. “De samenballing van concentratie in een foto vindt je niet in andere, snellere media.”

www.annickligtermoet.com

www.seelevel.nl

Het Parool / Kunst & Media (11-12-2009)

De ‘Lange Mars’ van Het Stedelijk / interview met Gijs van Tuyl

Het Stedelijk Museum is tijdelijk dakloos, en toert nu een jaar door de stad. Directeur Gijs van Tuyl spreekt: “Het is heel slecht dat we al zo lang dicht zijn, maar er is hoop.”

DANIËL BERTINA

“Ik heb niet echt een verklaring waarom het zo lang duurt,” verzucht directeur Gijs van Tuyl (1941). Sinds 2004 zijn de deuren van het Stedelijk Museum aan de Paulus Potterstraat gesloten voor een ingrijpende renovatie. Deze duurt langer dan verwacht – ‘zijn’ geliefde museum is verworden tot bouwterrein.

Van Tuyls relatie met het Stedelijk zit diep. Van 1969 tot 1976 werkte hij er als conservator – en heeft er zelfs nog even gewoond. “Ik vind het heel verdrietig om te zien hoe het Stedelijk er nu bij staat.”

Het Stedelijk vond in het Post CS-gebouw op het Oosterdokeiland een tijdelijk onderkomen. In ruim vier jaar bezochten bijna één miljoen bezoekers deze locatie – zo trok de tentoonstelling Andy Warhol – other voices, other rooms ruim 124.000 bezoekers.

Slepende problemen met de klimaatbeheersing maakten het echter onmogelijk om grote delen van de vaste collectie te tonen.
Uiteindelijk zei eigenaar MAB het Stedelijk vorig jaar de huur op – het pand kreeg een andere bestemming. Verschillende alternatieven kwamen in aanmerking als vervangende ruimte, maar de meesten gebouwen zouden voor miljoenen moeten worden verbouwd.Van Tuyl had geen succes: “Ik heb Amsterdam ondersteboven gekeerd maar niets gevonden” – het Stedelijk Museum werd dakloos.

Nu overbrugt het museum deze verbouwingsperiode met Stedelijk in de stad. In het kader van dit project zal een deel van de vaste collectie te gast zijn in achtereenvolgens De Nieuwe Kerk, het Van Gogh Museum en Het Rijksmuseum. Daarnaast is er De bouwkeet on tour: een mobiele ontmoetingsruimte die elke maand in een ander stadsdeel opduikt.

Gijs van Tuyl heeft ervaring met het (her)starten van een museum. Als directeur slaagde hij er in om in tien jaar tijd het Duitse Kunstmuseum Wolfsburg internationaal op de kaart te zetten. In 2005 werd hij voor een periode van vijf jaar als directeur aan het Stedelijk verbonden.

“We zitten sinds 2004 in een museumloos tijdperk en dat is aller-beroerdst,” geeft van Tuyl toe. Eind dit jaar moet het museum ‘tentoonstellingsrijp’ zijn, met een nieuwe huisstijl. In maart/april volgend jaar kunnen de eerste bezoekers worden verwelkomd. In de tussentijd is de tentoonstelling Heilig vuur. religie en spiritualiteit in de moderne kunst te bezichtigen in De Nieuwe Kerk.

Bekende schilderijen van Malevich, Mondriaan en Chagall hangen naast de grove, knoestige schilderstijl van Jan Toorop en het Sjamanisme van performancekunstenaar Joseph Beuys. Veel van dit geroemde werk is al tijden niet in Nederland te zien geweest.

“We maken een lange mars door de instituten – om met Marx te spreken – als aanloop voor de heropening. Met Heilig vuur komen we eindelijk nader tot u.” De tentoonstelling trok sinds de opening in december vorig jaar ruim 18.000 bezoekers en kreeg overwegend goede kritieken.

Van Tuyl is opgelucht dat de topstukken weer te zien zijn. De rijke collectie heeft er volgens hem voor gezorgd dat het Stedelijk onder de aandacht van de internationale kunstwereld is gebleven. “Er is veel liefde voor het Stedelijk op basis van het legendarische verleden. Dat geeft hoop. Maar zonder vast museum kan je natuurlijk niet echt meedoen.”

Naast deze gasttentoonstellingen probeert Stedelijk in de stad ook op een andere manier de relatie met het publiek in stand te houden. Hiertoe dient De bouwkeet on tour. Dit zwarthouten gebouwtje is een mobiele workshopruimte en informatiekiosk, en staat elk maand in een ander stadsdeel. De keet is vier dagen per week open als uitvalsbasis voor speciale activiteiten, lezingen en workshops. Maandag tot woensdag is het gebouwtje echter een afgesloten blokhut die weinig toevoegt aan de locatie. Naast contactcentrum doet De bouwkeet ook dienst als publieksonderzoek. De reacties en suggesties van bezoekers worden door een onderzoeksbureau verwerkt, zodat het museum op de verwachtingen kan inspelen.

Heeft het Stedelijk last van ideeënarmoede? Van Tuyl ontkent stellig: “We willen weten wat er bij het publiek leeft. De resultaten buigen we om naar onze eigen plannen. Uit reacties blijkt dat men het een sympathiek initiatief vindt, maar De bouwkeet functioneert inderdaad nog niet optimaal. We hebben als museum ook niet zoveel ervaring met op een dergelijke manier naar buiten te treden.”

Volgens Van Tuyl dient De bouwkeet vooral als communicatiemiddel. De nadruk van Stedelijk in de stad ligt op de gasttentoonstellingen. “Je kunt in zo’n keet natuurlijk geen kunst tentoonstellen.”

In 2010 is het dan eindelijk zover. Een tentoonstelling van de multimediale kunst van Mike Kelley zal – naast de klassieke collectie – het nieuwe Stedelijk Museum inwijden. Eén werk van Kelley is al te zien bij Heilig vuur: de spookachtige videoinstallatie Switching marys (2005) waarin een vrouw tot Maagd Maria wordt gekroond en verandert in een woest schuimbekkende heks. “Mike Kelley belichaamt de tijdgeest,” roept Van Tuyl enthousiast. “Hij keert het modernisme binnenstebuiten.”

Volgens Van Tuyl had het allemaal niet zo lang hoeven duren. “Het Museum of Modern Art in New York moest worden gerenoveerd, dus ze verhuisden naar Queens, en na twee jaar konden ze weer terecht op hun oude stek.”

Het feit dat het MOMA beschikt over het tienvoudige budget van het Stedelijk speelt een rol, maar niet een doorslaggevende. Juist met minder geld is een strakke planning nodig, en daar heeft het volgens Van Tuyl in het verleden aan ontbroken. “De gemeente gaat als eigenaar uiteindelijk over de renovatie, wij zijn slechts de huurder.”

Zijn er nog beren op de weg? “Dat weet alleen God – of mijn sjamaan,” zegt directeur Gijs van Tuyl. “Maar zodra mensen het nieuwe museum inlopen zullen ze het lange wachten zijn vergeten. Daar ben ik van overtuigd.”

stedelijkindestad
Het Parool / Kunst & Media (16-2-2009)

Jonas Ohlsson zoekt de lol in de kunst

De Zweedse beeldend kunstenaar en dj Jonas Ohlsson is een van de zeven genomineerden voor de Amsterdamprijs voor de Kunst. Tot zijn eigen verbazing. “Ik dacht dat ik teveel mensen boos had gemaakt.”

DANIËL BERTINA

“Ik deed kennelijk mee aan een wedstrijd, zonder dat ik het wist,” zegt Jonas Ohlsson verontschuldigend. In zijn atelier en woonruimte in Zuidoost heeft hij een verzameling elektronische muziek op cd’s, mixtapes en platen uitgestald, deels van eigen makelij.

Op de grond staan twee van zijn ingelijste tekeningen. Potlood, viltstift en verf vormen veelkleurige collages van schedels, wapens, vervormde mensenlijven, opgezwollen geslachtsdelen en maniakaal grijzende stripfiguurtjes. “Ik ben benieuwd wat de jury van mijn werk heeft gezien.”

De Zweedse Jonas Ohlsson (Örebro, 1967) woont en werkt sinds 1996 in Amsterdam. Als dj en kunstenaar maakt hij – met zes anderen – kans op de Amsterdamprijs voor de Kunst. Vormgevers Mevis & van Deursen, theatermaakster Adelheid Roosen, de muzikanten van het Calefax Rietkwintet, graffitikunstenaar Boris Tellegen, performer/choreograaf Marco Gerris en dichter F. Starik dingen ook mee naar de prijs die sinds 2003 jaarlijks wordt toegekend aan hen die een rol spelen in de ontwikkeling en stimulering van de kunst, en het imago van de stad versterken.

Drie van hen zullen donderdag tijdens een ceremonie in het Muziekgebouw aan het IJ de prijs ontvangen: een geldbedrag van 35.000 euro. “Straks sta ik daar misschien naast Job Cohen,” grijst Ohlsson. “Ik heb heel lang het ideaal gekoesterd van de kunstenaar als buitenstaander, maar het establishment komt nu wel heel dichtbij.”

Zelfs in dit bonte gezelschap van genomineerden is Ohlsson een vreemde eend in de bijt. De boomlange Zweed met dreadlocks is naast beeldend kunstenaar, dj en muzikant ook curator van tentoonstellingen, anarchist, fanatiek globetrotter en docent aan de Gerrit Rietveld Academie.

“Mijn kunst is schizofreen – op een goede manier,” zegt Ohlsson. “Ik heb altijd heel multidisciplinair gewerkt. Vroeger moest je juist specialiseren. Mijn vader was boekhouder, maar toen zijn fabriek sloot stond hij daar met lege handen. Die schizofrenie betekent dat ik veelzijdig inzetbaar ben.”

Ohlsson schrijft over kunst, maakt kunstinstallaties in de openbare ruimte, tekent, schildert, en vormt samen met Daniela Bershan het muzikale electroduo DJ Lonely & Bàbà Electronica. Daarnaast runt hij een eigen projectruimte genaamd FUCK.

Zijn uitvalsbasis is al zes jaar de wijk Florijn in stadsdeel Zuidoost. “Ik vind de Bijlmer heel mysterieus,” zegt Ohlsson. Die buurt is jarenlang genegeerd en heeft zichzelf moeten uitvinden. “Je voelt hier een bijzondere levenslust en zelfredzaamheid, die je ook aantreft in de sloppenwijken van Rio de Janeiro.”

De nominatie voor de Amsterdamprijs voor de Kunsten kwam als verrassing, want Ohlsson mag graag provoceren. “Je moet vechten tegen slechte kunst en slechte ideeën. Die strijd is heel leerzaam, maar ik dacht dat ik al teveel mensen boos had gemaakt om voor zo’n prijs in aanmerking te komen.”

Zo fulmineerde hij onlangs in een interview met Maxine Kopsa tegen de ‘curatorhoeren’ van kunstinstituut De Appel. Veel kunstenaars maken in probleemwijken misbruik van de misère voor hun eigen artistieke plannen, zonder oprecht geïnteresseerd te zijn – aldus Ohlsson.

“Daar moet ik trouwens ook voor uitkijken, want kunst in achterstandswijken is moeilijk. Het kan snel een enge mix worden van zendingsdrang, ramptoerisme en cultureel kolonialisme.”

Deze kunst zou meer moeten draaien om gelijkwaardigheid. Onder het mom van diversiteit proberen veel kunstinstellingen proberen immigranten en minderheden naar de musea te halen. “Maar waarom gaat dat ook niet andersom?” vraagt Ohlsson. “Waarom komen die dikke elitaire blanken ook niet eens naar een hiphopfeest in de Bijlmer?”

Ook zijn kunstwerken steken vaak de draak met fijngevoeligheden. Op eerdere stukken zoals Eeuwig kind vernedert de dood (2006) prijkt een doodshoofd voorzien van hakenkruis en plassende Hilterbabies. Recentelijk was opdrachtgever Imagine IC ook niet gecharmeerd van de cd Baba bijlmer, die hij maakte samen met Daniela Bershan. De droogkomische electropopliedjes over slavernij, kolonialisme en dikke billen werden door de opdrachtgever als té confronterend bestempeld.

“Het gaat me niet om het shockeffect, maar om vragen te stellen over onderwerpen waar ik zelf mee worstel. Ik roep soms ook maar wat,” relativeert Ohlsson. “Ik zoek de lol in de kunst. Als je alleen maar boos bent kan je geen goede kunst maken.”

Jonas Ohlsson studeerde hij aan drie kunstacademies: die van Örebro, de Gerrit Rietveld Academie en het Sandberg instituut. Hij werkte onder andere in Brazilië, China en de Verenigde Staten. Sommige vrienden uit underground kringen noemde hem een verrader toen hij naar de kunstacademie ging. Echte kunstenaars hebben geen opleiding nodig, was de gedachte. Inmiddels maakt niemand van hen nog kunst.

“Ik heel blij dat ik hier ooit ben terechtgekomen,” zegt kunstenaar Jonas Ohlsson. “Vanuit Amsterdam kan je zo makkelijk overal naartoe om goede kunst te gaan zien, en je te laten inspireren. Als ik in Örebro was blijven hangen was ik ongetwijfeld een hele slechte kunstenaar geworden. Nu ben ik een enorme cultuurvreter.”

Hij pakt een groot kladboek, vol met geschreven teksten, schetsen, pijlen en doorgekraste zinnen. Een verzameling ideeën voor zijn komende expositie samen met Anne-lise Coste, die op 5 september opent bij Ellen de Buijne Projects. In de uitgeschreven gedachtenchaos staan de namen van Islamgeleerde Tariq Ramadan en architect Rem Koolhaas onder elkaar.

“Ramadan wordt nu gekruisigd door de media, omdat hij een programma maakte voor de Iranese staatstelevisie,” zegt Ohlsson. “Maar Koolhaas bouwde het hoofdkantoor van de Chinese staatstelevisie, en werd heel anders behandeld. Dat vind ik nu interessant en spannend. Daar kan ik wel iets mee.”

Baba Bijlmer

Het Parool / Kunst & Media (25-8-2009)

‘Niet alle eenzaamheid is triest’ / mijn interview met Claire Fleury

De Amsterdamse theatermaker Claire Fleury speelt All the lonely people and me. Een zwartkomische solovoorstelling over de kracht van eenzaamheid.

DANIËL BERTINA

“De meeste dansers worden uiteindelijk yogaleraar of fysiotherapeut,” zegt Claire Fleury, roerend in de muntthee. “Er zijn niet veel dansers die een overstap maken naar een rol als acteur, regisseur of theatermaker. Ik ben in de minderheid.”

Vanavond en morgen speelt ze haar solovoorstelling All the lonely people and me in Theater Bellevue. Een reprise. De solo ging vorig jaar in première en kwam tot stand zonder subsidie. In augustus speelde ze het stuk in Engelstalige versie op het gerenommeerde Edinburgh Fringe Festival, naast 3000 andere toneelgezelschappen. Ook zelf geregeld.

Haar inzet bleef niet onopgemerkt. Het Fonds voor de Podiumkunsten prees haar doorzettingsvermogen en maakte onlangs een reprise mogelijk. Deze maand stond de Engelstalige versie in de Koninklijke Schouwburg Den Haag. “Soms moet je gewoon even doorbijten, ook al krijg je geen subsidie,” lacht Fleury. “Zeker als je weet dat een goed idee in handen hebt.”

In All the lonely people and me toont Claire Fleury allerlei vormen van moderne eenzaamheid, aan de hand van verhalende anekdotes over haar reis naar – ‘de meest eenzame stad ter wereld’ – New York, naast fysiek spel, dans en videocollage. “Er zijn heel veel soorten eenzaamheid en die zijn lang niet allemaal triest,” zegt Fleury. “Ik laat het allemaal zien, werp me op als ambassadeur voor de eenzaamheid.”

Claire Fleury (Amsterdam, 1965) begon ooit als danser, maar vormde zich om tot actrice, theatermaker, regisseur en videokunstenaar. Fleury studeerde in 1988 af aan de School voor Nieuwe Dansontwikkeling en volgde daarna de podiumkunstenopleiding DasArts. Ze speelde in vijf producties van Laura van Dolron, waaronder Als gekken en het met de BNG Nieuw Theatermakers Prijs bekroonde Over morgen. Daarnaast regisseerde ze de voorstelling Drive van de anarchistische knutselmuzikanten Odd Enjinears.

Van puur visueel bewegingstheater verschoof haar interesse naar het teksttoneel. “Ik heb veel abstracte, vage voorstellingen gemaakt,” lacht Fleury. “In al mijn werk speelt de troosteloosheid van het bestaan een grote rol. Maar nu wilde ik eens een positieve, komische draai geven aan een donker, herkenbaar thema: hoe je kracht kunt halen uit eenzaamheid.”

Net als haar geestverwanten zoals theatermakers Laura van Dolron en Edit Kaldor staat ze in de voorstelling als zichzelf op het podium, en spreekt het publiek direct aan. Fleury noemt All the lonely people and me nadrukkelijk een ‘essay’. Een persoonlijk document dat zo nu en dan over gaat in toneelspel.

“Het gaat me totaal niet om het romantische zwelgen in zelfmedelijden, of om met deze voorstelling van alles op te biechten,” benadrukt Fleury over haar toch weinig vrolijke thematiek. “Ik haal juist kracht uit mijn eigen eenzaamheid en autonomie. Alleen zijn is cool. De voorstelling heeft ook zeker een humoristische toon.”

“Vroeger zat je met het hele gezin samen voor de radio,” zegt Fleury mijmerend. “Dat zijn we kwijtgeraakt. Nu zit iedereen in zijn eigen individuele cocon met z’n Iphone, Ipod en MySpace en communiceert van het ene losse coconnetje naar het andere.”

Is dat niet een tragische toestand? Claire Fleury haalt haar schouders op en kijkt om zich heen: “Is die man die hier in het café alleen met zijn laptop zit tragischer dan die vrouw die daar uit het raam zit te staren? Misschien zijn ze allebei wel heerlijk aan het dagdromen. Je hebt toch niet àltijd mensen nodig om in je eentje gelukkig te zijn?

All the lonely people and me

www.clairefleury.com

Het Parool / Kunst & Media (16-12-2009)

De problemen van groepsgedrag / mijn interview met Sarah Vanhee

WeUsAll – te lezen als ‘wij, ons allen – van theatermaker Sarah Vanhee is een toneelvoorstelling over de werking van spektakels en de problematiek van groepsgedrag.

DANIËL BERTINA

“Het is juist goed als men woedend wordt,” zegt Sarah Vanhee. Als jonge, veelbelovende theatermaker werkt ze aan haar eerste grote productie bij Theater Frascati. Eerder dit jaar gaf ze tweemaal een korte presentatie van haar voorstelling Weusall in wording. Deze leidden tot extreme publieksreacties.

“De ene helft van het publiek vond het een heel poëtische ervaring. De andere kreeg allerlei onsmakelijke associaties met nazisme.” Een goede zaak, volgens Vanhee. “Het is geestdodend als mensen na afloop alleen maar iets drinken en dan naar huis gaan.”

De Vlaamse Sarah Vanhee (Oostende, 1980) danst met haar werk op de grenzen van verschillende kunstdisciplines. Na haar studie woordkunst aan het Leuvense Lemmensinstituut volgde zij de mimeopleiding in Amsterdam. Haar succesvolle afstudeervoorstelling 4000 trees, a red dress and an apple (possible story) (2007) werd een jaar later opgevolgd door How they disappeared.

Naast het regisseren van abstract bewegingstheater speelde ze in voorstellingen van choreograaf Andrea Bozic en regisseur Jetse Batelaan. Recentelijk richtte ze zich op beeldende kunst en (toneel)schrijven. Zo maakte ze met drie geestverwanten het boek Untranslatable; a guide to translingual dialogue, bestaande uit omschrijvingen van 33 onvertaalbare woorden uit verschillende culturen.

Weusall is het resultaat van deze brede ontwikkeling. De voorstelling gaat morgen in première in Theater Frascati. Volgens Vanhee is Weusall meer politiek georiënteerd dan haar eerdere werk. De voorstelling gaat over de werking van spektakels; zowel in traditionele vormen als circus en acrobatiek, en de moderne reclameslogans en beeldcultuur. Hoe deze worden ingezet om mensen groepsgewijs te beïnvloeden.

Weusall probeert de toeschouwer een ongemakkelijk wij-gevoel op te dringen. “Het wordt erg echt ingehakt,” grijnst Vanhee. “Door het publiek medeplichtig te maken, wil ik hen de problemen van groepsgedrag aan den lijve laten ervaren.” Haar grote inspiratie was Guy Debord’s boek La société du spectacle (1967), en diens kritiek op de consumptiemaatschappij als groot vervreemdend schouwspel.

Om deze ideeën vorm te geven werd er gekozen voor een scherpe scheiding van tekst en beweging. De teksten in Weusall worden niet uitgesproken, maar dwingend op de achterwand geprojecteerd – taal als beeld.

“Vergelijkbaar met irritante reclameslogans die in je hoofd blijven hangen,” zegt Vanhee. “Tegelijkertijd gaan vijf acteurs op de speelvloer het publiek verbazen met virtuoos fysiek spel – waarvan je weet dat het een kunstje is – maar waar je toch naar blijft kijken.”

De eerste drie voorstellingen zijn in het Nederlands, daarna is de voertaal Engels.

Vanhees fascinatie met groepsdynamiek kwam eerder dit jaar al tot uiting op het Frascati in crisis evenement, waar ze een ‘ideeënveiling’ organiseerde. Op The great public sale of ideas konden kunstenaars hun onuitgevoerde – en soms onuitvoerbare – theaterplannen publiekelijk onder de hamer brengen. Aan het eind van de avond mochten de kopers zich eigenaar noemen van nieuwe theaterideeën.

“Volstrekt absurd natuurlijk,” lacht Vanhee. “Maar het had als doel om groepsgesprekken over die concepten op gang te brengen.” Dit alles was een voorstudie voor een nieuwe voorstelling in december.

Weusall snijdt vergelijkbaar abstracte thematiek aan, maar de maker benadrukt dat de voorstelling óók een spectaculaire ervaring moet worden. “Al krijgt niet iedereen de conceptuele laag mee, dan moet de voorstelling nog steeds goed in elkaar zitten.”

Een jaar geleden volgde Sarah Vanhee een residentie bij beeldend kunstenaar Michelangelo Pistoletto in het Italiaanse dorpje Biella. Dit vormde een omslagpunt in haar denken over kunst. Ze werd gewezen op de maatschappelijke verantwoordelijkheid van kunstenaars. Collega’s uit Palestina en Oost-Europa verbaasden zich erover dat men in Nederland comfortabel van de kunst kan leven.

“In tijden van oorlog en misère worden mensen veel actiever – ook van geest. Veel van hen hebben een enorme honger naar kunst,” zegt Vanhee. “Maar ik geloof niet dat wij het zoveel beter hebben. Ons probleem is de passiviteit. Onze taak als kunstenaars in deze luxe samenleving is om vragen te stellen; te pleiten voor mentale alertheid.”

Klinkt hier het ideaal van de kunstenaar als vooruitstrevende – avantgardistische – ziener? “Kunst mag wel voor iets bijzonders staan en gevoelig zijn voor de tijdsgeest,” zegt theatermaker Sarah Vanhee. “Ik wil de toeschouwers uitdagen en serieus nemen. Dat is een grote verantwoordelijkheid.”

Het Parool / Kunst & Media (26-5-2009)

Levenshouding als politieke leus / kunstenaarsduo Hadley+Maxwell

Het Canadese kunstduo Hadley+Maxwell exposeert in SMART Project Space. De installaties in Improperties spelen met ikonen uit de metal en wereldliteratuur.

DANIËL BERTINA

“Het is Hadley+Maxwell. Met een plusteken, aan elkaar geschreven,” zegt kunstenaar Maxwell Stephens. “Als een logo.” Samen met Hadley Howes vormt hij sinds 1997 een onafscheidelijk kunstduo. Voor Hadley+Maxwell lopen leven en kunst als vanzelfsprekend in elkaar over. Vloeiend maken de twee elkaars zinnen en gedachten af, en praten op dezelfde serene toon. Howes: “Het is een symbiose. Ik kan het niet anders uitleggen. Het lijkt soms wel alsof we samen een derde persoon vormen.”

Hadley Howes (Toronto, 1973) en Maxwell Stephens (Montréal, 1966) vonden elkaar op het Emily Carr Institute of Art and Design in Vancouver en zijn sindsdien niet van elkaars zijde geweken. Als een soort tweepersoonscommune. Ze schreven als Hadley+Maxwell hun masterscriptie communicatie aan de Zwitserse European Graduate School, en geven gezamenlijk les op het Piet Zwart Instituut in Rotterdam. Het tweetal woont afwisselend in Berlijn of Vancouver.

“We delen álles. Het is vreemd, maar voelt volkomen vanzelfsprekend,” grijnst Stephens. “Voor de buitenstaander is het ongetwijfeld een beetje creepy,” lacht Howes. “Het vreemde is dat we eigenlijk heel verschillend zijn. Misschien verklaart dat onze wederzijdse fascinatie.”

Improperties is de eerste grote (solo)tentoonstelling van Hadley+Maxwell in Nederland. Deze is tot en met 7 maart te bekijken in SMART Project Space in het voormalige pathologisch anatomisch laboratorium op het Wilhelmina Gasthuisterrein. De tentoonstelling omvat zeefdrukken, tekeningen, geluids- en videofragmenten; allemaal zorgvuldig in de kale expositieruimte geplaatst. Installatiekunst, aldus het tweetal.

“De ruimtes zijn spaarzaam ingericht om de blik van de toeschouwer niet teveel af te leiden,” zegt Howes. “We houden van kunst die zich lijkt te verstoppen, die niet schreeuwt om gehoord te worden. Waarbij je als toeschouwer de rust krijgt om het kunstwerk op je in te laten werken.”

De videoinstallatie I (2009) is allesbehalve rustig. Op brute, afgemeten klanken van de Zweedse experimentele metalband Meshuggah is een danseres 21 minuten lang woest aan het headbangen. Haar silhouet tekent vaag af tegen een gestileerde achtergrond van geprojecteerde primaire kleuren – in plaats van op het podium, of in het geweld van de moshpit – wat haar zwaaibewegingen met rondslingerend haar des te vreemder maakt.

“We proberen herkenbare beelden en objecten geheimzinnig te maken, om er zo een nieuwe betekenis van los te peuteren,” legt Stephens uit. “En proberen vragen op te roepen over cultureel eigendom,” zegt Howes. “De muziek is deel van de danseres, maar gemaakt door Meshuggah. Wie is dan de eigenaar? Vandaar de titel Improperties – eigenlijk is niets jouw eigendom.”

Het metalgeweld van I vormt een contrast met de installatie A desk will be a desk (2009), waarin onder andere een passage uit de roman De idioot van de Russische schrijver Fjodor Dostojevki is verwerkt. Een ingelijste collage aan de muur toont zeven achterelkaar geplakte vertalingen van hetzelfde stukje tekst: van de vroegste vertaling uit 1913 tot de meest recente versie uit 2004.

Sommige stukken zijn totaal verschillend, andere zinnen blijken al die jaren op vrijwel dezelfde wijze te zijn vertaald. “Geen enkele vertaling kan natuurlijk het Russische origineel benaderen. Er is iets verloren gegaan,” zegt Howes. “Zo proberen we beelden te maken van dingen die eigenlijk niet afgebeeld kunnen worden.”

Net als op de kunstopleidingen wordt in de moderne maatschappij teveel nadruk gelegd op de prestaties van het individu, vertelt het tweetal over hun ongebruikelijk intense samenwerking. Daar willen ze zich tegen verzetten.

“Onze levenshouding is een politiek statement,” roept Stephens. “Art is an attitude.” Howes grijnst: “Maar natuurlijk hebben we de kunst ook gebruikt om elkaar te versieren.”

www.smartprojectspace.net

Het Parool / Kunst & Media (20-01-2010)

Obsessie met licht en duisternis – Interview met schilder Pär Strömberg

De Zweedse kunstschilder Pär Strömberg exposeert bij Serieuze Zaken Studioos. Zijn werk was ook te zien op Art Amsterdam. Darkness visible toont de transformerende kracht van licht. ‘Er is intense duisternis is Zweden.’

DANIËL BERTINA

“Ik vind het moeilijk om iets vrolijks te schilderen,” zegt kunstenaar Pär Strömberg. In de galerie van Serieuze Zaken Studioos wandelt hij langs zijn – net opgehangen – schilderijen. Indrukwekkende landschappen met een beklemmende sfeer. Hij wijst grijnzend naar het laatste doek dat achter in de galerie hangt: “Kijk, dit bos werd me net iets té jolig – vandaar dat ik er een doodshoofd in heb verstopt.”

De expositie Darkness visible van de Zweedse kunstenaar Pär Strömberg (Örebro, 1972) is tot 20 juni te zien bij Serieuze Zaken Studioos aan de Lauriergracht. Strömberg is ook een van de 120 kunstenaars die vandaag op de Art Amsterdam in de RAI nieuw werk zullen tonen, ter ere van het 25-jarige bestaan van deze kunstbeurs. Dit evenement duurt tot en met zondag.

Strömberg woont en werkt zowel in Nederland als in Zweden. In 1999 studeerde hij af aan de vrije richting van de Gerrit Rietveld Academie. Naast verschillende internationale tentoonstellingen exposeerde hij in het Stedelijk Museum en het Centraal Museum Utrecht. Vier keer werd hij genomineerd voor de Koninklijke Schilders Prijs, en won in 2002 de Wim Izaksprijs. Daarnaast geeft Strömberg les aan zijn oude instituut in Zweden: het Örebro College of Art, en is hij columnist voor het Zweedse cultuurtijdschrift Denimzine.

In 1996 verhuisde hij naar Nederland. In toenemende mate ging zijn Zweedse achtergrond een rol spelen in zijn werk. “Ik moest veel terugdenken aan de totale isolatie en eenzaamheid die je voelt in de verstikkende dichtheid van de Zweedse natuur, en de transformerende kracht van het licht die daarbij een rol speelt.” Dit gevoel werkte door in zijn kunst.

Zijn landschappen – of mindscapes, zoals hij ze noemt – zijn verstild en verlaten. Soms zijn menselijke figuren vaag te ontdekken, naast occulte en heidense symboliek. In zijn werk is vooral het lichtgebruik opvallend. Het licht lijkt meedogenloos; het verduistert en verblindt. “Of een twilight zone tussen die beide extremen,” zegt Strömberg. “Ik wil herkenbare beelden maken, alsof ze voortkomen uit het collectieve geheugen.”

Pär Strömberg exposeerde in 2004 al eerder bij Serieuze Zaken Studioos. Galeriehouder Robert Malasch is enthousiast over Strömbergs ontwikkeling: “Ik volg hem al sinds zijn afstuderen. Je kunt moeilijk benoemen hoe hij het doet, maar hij slaagt erin zijn werk een ontzettend mysterieuze sfeer mee te geven.”

Strömberg werkt met olieverf op canvas. Dit maakt het mogelijk om het werk in talloze lagen op te bouwen. Veel van die lagen worden daarna weer uitgeveegd en weggeschraapt om effecten te veroorzaken. “Een langdurig proces, net zoals het ontwikkelen van een foto,” legt Strömberg uit. “Zo lijkt het licht vanuit het doek te schijnen.”

Scandinaviërs hebben volgens de kunstenaar door de eeuwen heen altijd een bijzondere relatie gehad met de natuur. In de zomermaanden is het altijd licht, en in de winter is er intense duisternis. “Dat is heel bizar. Dat transformeert de menselijke psyche. Het is niet toevallig dat Noord-Europa het hoogste percentage zelfmoorden ter wereld heeft.”

Dit alles betekent niet dat Strömberg zich uitsluitend bezig houdt met zijn Scandinavische roots. “In onze moderne communicatie paranoia hebben we veel menselijk contact verloren. Vroeger was communicatie traag, maar doelbewust. Nu zit iedereen te Twitteren. Er is geen stilte meer die we kunnen waarderen. Mijn werk is een reactie daarop. Het zijn eilanden in je hoofd – mindscapes waar je alleen kunt zijn.”

Geestverwanten vond Strömberg in de black metal scene; een extreme muziekvorm met een vergelijkbare neo-romantische, occulte thematiek. Hij speelde in verschillende undergroundbandjes en ontwierp bandlogo’s. “Die scene is nu grotendeels uitgewaaid. Maar het belangrijkste werd behouden: het gevoel dat we door modernisatie iets hebben verloren wat we nu terugeisen.”

Een vergelijkbaar gevoel ziet hij in het schilderwerk van landgenoot August Strindberg (1849 – 1912). “Strindberg is bekend als schrijver, maar maakte ook hele rauwe zeeschilderingen. Natuur in zijn meest woeste vorm. Zijn flirt met het occulte, en zijn maniakale schrijfstijl in Black flags en Inferno is geweldig. Als hij in onze tijd had geleefd was hij vast fan van black metal geweest.”

Die obsessie met licht en duisternis, beantwoordt dat niet het stereotype van de kunstenaar als zwartgallige romanticus? “Ik vind het geen ramp als mensen dat denken,” grijnst Pär Strömberg. “Maar het is niet zo dat ik zwelg in mijn melancholie. Ik kan mijn werk goed loslaten. Ik moet ook nog leven.”

Pär Strömberg

Het Parool / Kunst & Media (14-5-2009)

Point Blank met theatermaker Edit Kaldor

De Hongaarse theatermaker Edit Kaldor gaat samenwerken met Theater Frascati. Ter introductie herneemt ze Point blank: een toneelstuk met een documentairerandje, gebaseerd op duizenden voyeuristische foto’s. ‘Ik vind gewone mensen veel boeiender dan acteurs.’

DANIËL BERTINA

“Mensen kijken is heel leuk,” zegt Edit Kaldor. Haar werkstudio in een zijstraat van de Wibautstraat kan helemaal worden geblindeerd, om in het donker te kunnen experimenteren met videoprojectie. Het liefst zou ze alle ramen open doen om naar buiten te kunnen staren. “Dat vond ik ook zo bijzonder aan Amsterdam, toen ik hier voor het eerst kwam: bijna niemand heeft gordijnen. Je kunt overal naar binnen kijken.”

Theatermaker Edit Kaldor (Boedapest, 1970) maakt in haar intieme voorstellingen veel gebruik van geprojecteerde computerbeelden, videofragmenten en fotoanimaties – die een voyeuristische sfeer scheppen. Aanstaande vrijdag en zaterdag staat zij samen met speler Nada Gambier in Theater Frascati, met de geprezen voorstelling Point blank (2007). Deze reprise vormt het begin van een verdere samenwerking met Frascati.

Point blank is een bijzondere – Engels gesproken – voorstelling, die het midden houdt tussen een documentaire, lezing, beeldende kunstperformance en toneelstuk. Of zoals Kaldor het omschrijft: een theatrale performance met een documentairerandje.

De makers spelen met de verwachting van de toeschouwers. Wat is er echt? Een vergelijkbare strategie die wordt toegepast door performancekunstenaars zoals Miranda July, of de Libanese theatermaker Rabih Mroué met zijn lecture performances – die eind oktober ook in Frascati te zien zal zijn.

In Point blank maakt het publiek kennis met de negentienjarige Nada: een verlegen jonge vrouw die met zichzelf in de knoop ligt. Met de voorstelling wil ze onderzoeken wat voor haar de beste manier van leven is. Daarvoor gebruikt ze duizenden foto’s van mensen, die ze tijdens een wereldreis op grote afstand met een telelens heeft gemaakt.

“Gewone mensen zijn veel boeiender dan acteurs,” zegt Kaldor grijnzend. “Veel theatermensen hebben vaak nogal een beperkt leven, en dat kan je zien.”

Aan de hand van al deze beelden, die door Kaldor met een laptop op twee grote schermen worden geprojecteerd, probeert Nada een passende strategie voor het leven te vinden. Ze probeert haar besluiteloosheid te overwinnen.

Edit Kaldor studeerde Engelse literatuur en drama aan de prestigieuze Columbia University in New York, en werkte jaren als dramaturg en videokunstenaar voor het Squat / Love Theatre van de Hongaarse theatervernieuwer Peter Halász (1944-2006). In Amsterdam volgde ze de DasArts masteropleiding theater aan de Amsterdamse Hogeschool voor de Kunsten.

Sinds 1993 – het begin van haar samenwerking met Halász – werkt Kaldor zeer internationaal, en ging met verschillende voorstellingen op wereldtournee. Zo is Point blank een coproductie door kunstorganisaties uit vijf landen. De voorstelling speelde al in tien landen waaronder Italië, Noorwegen, Servië en de Verenigde Staten.

“Ons leven bestaat in toenemende mate uit virtuele contacten, en dat wordt steeds meer geaccepteerd en normaal,” zegt Kaldor. De technologie die ze in haar voorstellingen gebruikt – videoprojectie, computers, animatie – zijn bedoeld als metafoor. Hulpmiddelen om de gedachtegang van de personages zichtbaar te maken. “Ik ben totaal niet geïnteresseerd in de popcultuuruitingen van technologie, zoals Facebook of Twitter.”

Is Point blank een kritiek op de schaduwkanten van de technologische vooruitgang? “Die vooruitgang is een gegeven. Ik fel er geen oordeel over,” antwoordt Kaldor nuchter. “Het toont ook aan hoe flexibel mensen kunnen zijn; hoe snel ze veranderingen in hun leven kunnen opnemen – dat vind ik fascinerend.”

“Wat ik wel heel vreemd vind aan technologie, zoals het internet, is het exhibitionisme en voyeurisme dat het in mensen naar boven brengt,” grijst Kaldor schuldbewust. “Zodra je iemand ontmoet Google je die persoon. De privégrenzen zijn we aan het verliezen. Nederlanders hebben met hun doorzonwoningen zonder gordijnen die grens al lang geleden overschreden.”

Theater is volgens Edit Kaldor extra bijzonder in deze tijd, omdat het zich in het hier en nu afspeelt. In het directe contact tussen podium en de zaal. “Het theater is een goede, fijne plaats om na te denken. In theater kan alles gebeuren.”

Het Parool / Kunst & Media (8-10-2009)

Moonwriting – Mijn interview met Duncan ‘Zowie Bowie’ Jones

Duncan Jones – de zoon van David Bowie – heeft zijn debuut gemaakt als filmregisseur. Moon is een eerbetoon aan de klassieke sciencefiction, én een heel persoonlijk verhaal. ‘Ik ben een echte sci-fi geek.’

DANIËL BERTINA

Waarmee begon zijn liefde voor sciencefiction? ‘Met Star Wars! Toen ik opgroeide reisden we natuurlijk veel – vanwege mijn vader – maar hij had ergens een illegale kopie weten te bemachtigen,’ zegt regisseur Duncan Jones met glunderende ogen. ‘Ik was toen de enige op school met die film op video.’

Hij noemt het terloops, maar niemand kan eromheen: Duncan Zowie Haywood Jones (Kent, 1971) is de zoon van David Robert Jones – beter bekend als popicoon David Bowie. Op het Film by the Sea festival in Vlissingen presenteert hij zijn debuutfilm Moon: het eerste deel van een sciencefiction trilogie.

‘Ik vind het heel opwindend hoe in dat genre een totaal andere wereld wordt geschapen; zoals in klassiekers als Alien, Silent Running en Outland,’ zegt Duncan Jones enthousiast, terwijl hij bijna uit zijn stoel lijkt te springen. Ondanks de jetlag.

Na een studie filosofie en een succesvolle carrière als reclamefilmer legde Jones zich in 2002 toe op de cinema met zijn korte film Whistle. Drie jaar later startte hij zijn eigen filmproductiemaatschappij: Liberty Films. Moon is zijn eerste speelfilm. Naast de regie was hij ook verantwoordelijk voor het script, samen met schrijver Nathan Parker.

Moon viel gelijk in de prijzen. De film won onder andere de Best New British Feature op het Edinburgh International Film Festival, en hoofdrolspeler Sam Rockwell ontving voor zijn adembenemende vertolking van astronaut Sam Bell de Golden Space Needle Award.

Het is de nabije toekomst. Om de wereldbevolking te voorzien van schone, duurzame energie is de mensheid overgegaan op kernfusie van het zeldzame isotoop helium-3. Echter: het spul is alleen op de maan in grote hoeveelheden te vinden. Astronaut Sam Bell (Sam Rockwell) zit voor een contractperiode van drie jaar diep ongelukkig te vereenzamen op een maanbasis, waar hij in zijn eentje gerobotiseerde oogstmachines aanstuurt die het helium-3 van de maanbodem schrapen.

Zijn enige dagelijkse contact is de lijzige robot GERTY (met de stem van acteur Kevin Spacey) – een duidelijke verwijzing naar de HAL 9000 computer uit Stanley Kubricks epische 2001: A Space Odyssey. Afgepeigerd en half hallucinerend smacht Sam ernaar terug te keren naar de aarde om zijn vrouw en dochtertje weer te zien. Helaas heeft zijn werkgever iets anders met hem voor.

Opvallend is dat de trailer voor de film, gemaakt door distributeur Sony Pictures Classics, een verrassend element van het verhaal verklapt. Sam blijkt gekloond te zijn en krijgt het aan de stok met zijn vervanger: een jongere, agressievere versie van zichzelf.

‘Ga je als kleine onafhankelijke filmmaker in zee met de grote studio’s? Dan heb je héél weinig te zeggen over dat soort dingen,’ lacht Jones verontschuldigend. ‘Het is inderdaad een spoiler – maar ik kan er wel mee leven. De film wordt niet verpest als je dat al van tevoren weet. Het is geen “Keyser Soze”-onthulling.’

Jones – een zelfverklaarde ‘sci-fi geek’ – baseerde de achtergronden van zijn film op vooruitstrevende theorieën over ruimtevaart en de mogelijke toekomstige kolonisatie van het zonnestelsel. De film balanceert tussen een duidelijk eerbetoon aan de klassiekers uit het genre – er zijn verwijzingen naar claustrofobische thrillers zoals Alien en filosofische sciencefiction zoals Solaris – en een herkenbaar, menselijk drama.

‘Wat mij interesseert is hoe mensen veranderd worden door ontwikkelingen in de samenleving en technologie,’ zegt Jones. Dat was ook wat hem als kind fascineerde aan de apocalyptische toekomstvisies van schrijvers als George Orwell en Phillip K. Dick. ‘Maar ik wilde de film niet in een bepaalde politieke richting duwen. Aan de basis van Moon ligt een menselijke problematiek.’

De film richt zich op het personage Sam Bell in zijn achtervolgingswaan, isolatie en eenzaamheid. Jones putte daarvoor uit zijn eigen leven. ‘Op jongere leeftijd was ik erg kwaad, verward en verdwaald. Nu ben ik ouder en wijzer. Het leek me interessant om die twee levensfasen eens tegelijkertijd te laten zien.’ Dat resulteert in de film Moon in het conflict tussen de twee gekloonde personages.

De basis voor de film werd drie en een half jaar geleden gelegd. Jones had acteur Sam Rockwell in eerste instantie benaderd voor een rol in een andere film – Mute – die samen met Moon en nog een derde film een trilogie zal gaan vormen. Mute is nu in productie.

“Ik had Sam eerst in gedachte als schurk in Mute,” zegt regisseur Duncan Jones. ‘Maar hij had geen interesse, want hij had al vaker de schurk gespeeld.’ Toch vonden de twee elkaar in hun gedeelde passie voor sciencefiction. Jones schreef de hoofdrol in Moon speciaal voor Rockwell. ‘Niet veel andere acteurs zouden die dubbelrol hebben aangekund. Hij heeft een hele kwetsbare uitstraling. Dat herken ik in mezelf.’

Het Parool / Kunst & Media (15-10-2009)
Cineville

Dada Leeft!

Eerbetoon aan Dadaïsme in Bellevue

AMSTERDAM – De Rietveld Academie en het Stedelijk Museum organiseerden in Bellevue een ‘Dada-soiree’, een eerbetoon aan het dadaïsme.

DANIËL BERTINA

‘Deze avond, was een avond van het Stedelijk Museum,” sluit de spreekstalmeester af. ”Leugens!” brult zanger Lucky Fonz III vanuit de zaal, terwijl hij hem een puzzelstukje naar het hoofd gooit. De hoogbejaarde freejazzpianist Micha Mengelberg is net door een enorme witte rookwolk van het podium geblazen. Bijna de helft van het publiek is in de loop van de avond de zaal uitgevlucht. De andere helft geniet.

Deze vreemde avond vol bizarre poëzie, valse zang, performance, geluid- en videokunst is een initiatief van Linde Keja en Willem Sjoerd van Vliet, en hun collega-studenten van de opleiding Beeld en Taal van de Rietveld Academie. Dit eerbetoon aan de absurdistische kunstvorm dadaïsme werd georganiseerd in het kader van Zichtbaar afwezig, een project van het Stedelijk Museum.

Studenten van de Rietveld Academie en het Sandberg Instituut proberen kunstwerken uit de collectie van het Stedelijk weer onder de aandacht van het publiek te brengen. Deels om de slepende verbouwing en de ‘dakloze periode’ van het museum te overbruggen.

Voor de ‘Dada-soiree’ diende een poster als inspiratie: een collage van kreten, waarmee kunstenaars Theo van Doesburg en Kurt Schwitters in 1923 het eerste Dada-matinee op Nederlandse bodem aankondigden. Met een tournee werd toen ook Theater Bellevue aangedaan. ”Die poster is één van de iconen van Dada geworden,” legt Linde Keja uit. ”Dada heeft in korte tijd een enorme invloed gehad op het kritische denken over de relatie tussen kunstenaars en publiek. Het leek ons interessant om daar een avond omheen te organiseren.”

Die relatie tussen kunstenaar en publiek is er op de Dada-soiree vooral één van vervreemding. Zo draagt een kunstenares een gedicht voor over een boom met stoofperen, terwijl ze bij het declameren van elke zin nonchalant de handstand inzet.

Een andere neo-dadaïst zit later met een strak gezicht op een plastic speelgoedvarkentje en een rubberen kip te blazen.

Dada: de meningen verschillen over wat de term eigenlijk betekent – het Franse woord voor stokpaardje, een verbastering van ‘Ja, ja’, of pure onzin. De beweging werd in 1916 opgericht door een internationale groep kunstenaars in Zwitserland, en in 1924 officieel opgeheven, maar de invloed werkt nog steeds door. Dada belichaamde de meest radicale vorm van ‘antikunst’ binnen de zogenaamde Historische Avantgarde (1910-1940): een verzameling kunststromingen die op verschillende manieren probeerden te breken met duizenden jaren kunsttraditie.

Dadaïsme draaide om speelse, nihilistische anarchie en absurdisme, met een felle afkeer van de burgerlijke samenleving en de heersende kunstopvattingen. Kunst moest midden in de samenleving komen te staan, om zo de samenleving te veranderen.

Op ironische wijze werd veel van deze radicale kunst uiteindelijk weer deel van de gevestigde orde: Dada eindigde in de musea. Of, in het geval van de Dada-soiree, in het theater om een museumcollectie onder de aandacht te brengen.

Zoals Linde Keja het in haar performance uitdrukt: ”Dada is je bek opentrekken, al wordt hij dichtgeslagen. Het leven verveelt. We moeten verdomme zorgen dat er wat gebeurt.”

Het Parool / Kunst & Media (24-9-2009)